Bij leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) lijken vooral eerdere leerprestaties en taal- en geletterdheidsvaardigheden belangrijke voorspellers van leerresultaten in het vo. Niet-talige factoren, zoals IQ en werkgeheugen, kunnen ook een rol spelen, maar hiervoor is minder direct bewijs. Er zijn daarnaast aanwijzingen dat executieve functies en sociaal-emotionele kenmerken relevant zijn, maar er is onvoldoende grond om ze als belangrijke voorspellers van latere leerresultaten te zien.
Er is weinig bewijs dat kinderen met leesproblemen hun voortgezet technische leesvaardigheden verbeteren wanneer ze oefenen met losse woorden lezen. Om de leessnelheid te verbeteren lijken hele teksten effectiever of even effectief. Ook rekening houden met het leesplezier, is belangrijk. Wanneer leerlingen hele teksten lezen die aansluiten bij hun interesses, lezen ze met plezier en maken ze meer leeskilometers.
Regionale sturingsnetwerken ervaren meer impact wanneer zij bestuurlijk vermogen opbouwen. Onderling vertrouwen, een gedeelde visie en goede informatie-uitwisseling helpen deelnemers om belangen te bespreken, samen besluiten te nemen en afspraken uit te voeren. Deelnemers zeggen dat een netwerk dat de uitvoering van zijn plannen bewaakt meer impact heeft. Of regionale samenwerking ook daadwerkelijk leidt tot betere resultaten voor het onderwijs en voor leerlingen en studenten is nog niet vastgesteld.
Leerlingen kunnen hun inzicht in grammatica vergroten als zij de grammatica van een vreemde taal vergelijken met de Nederlandse grammatica. Taalvergelijking lijkt vooral effectief wanneer de grammaticaregels van elkaar verschillen en wanneer leerlingen complexe grammatica-oefeningen maken. Om leerlingen bewust te maken van overeenkomsten en verschillen tussen talen en deze kennis vervolgens doelgericht in te zetten wanneer ze een nieuwe taal leren, is begeleiding van de docent essentieel.
Het is niet duidelijk welke inzet of invulling van een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) bijdraagt aan sociale participatie. Wel weten we welke interventies de sociale participatie van leerlingen met een ondersteuningsbehoefte bevorderen. Denk aan uitleg aan klasgenoten over de problematiek, een steungroep van klasgenoten rond de leerling, groepsactiviteiten en gerichte ondersteuning bij sociale moeilijkheden. Daarnaast maakt het voor de sociale participatie niet uit of je ondersteuning binnen of buiten de klas geeft. Let wel op dat ondersteuning die de leerling zichtbaar anders maakt dan klasgenoten negatief kan uitpakken.
VR-trainingen voor beroepsvaardigheden zijn effectiever als studenten volledig kunnen opgaan in de virtuele leeromgeving. Dat lukt beter met een VR-bril dan via een beeldscherm. Verder hoeft de omgeving niet hyperrealistisch te zijn, als ze maar functioneel is. VR-trainingen dienen goed didactisch te zijn ingebed door authentieke scenario’s te gebruiken en een voor- en nabespreking te houden. Dit alles vergroot de kans dat studenten de geoefende vaardigheden later ook toepassen in de beroepspraktijk.
Programmeeronderwijs heeft een positief effect op de vaardigheden van leerlingen tot twaalf jaar. Activiteiten waarbij leerlingen zonder computer werken (unplugged), laten gemiddeld de grootste effecten zien. Maar ook visueel programmeren met blokken en tekstueel programmeren zijn effectief. Ondersteuning door de leerkracht blijft essentieel. Jongens en meisjes ontwikkelen programmeervaardigheden over het algemeen even goed.
Verticaal alignment betekent verbinding en afstemming tussen verschillende organisatieniveaus in het onderwijs, denk aan schoolbestuur, schoolleiding, teams en docenten. Verticaal alignment is geen doel op zich, maar een manier om iedereen zo met elkaar te verbinden dat ze vanuit hun eigen rol kunnen (samen)werken aan gemeenschappelijk doelen. Om deze verbinding te realiseren helpt het om onderwijsdoelen af te stemmen, te zorgen voor wisselwerking over en weer, en afspraken te maken over verantwoordelijkheden en beslissingsbevoegdheden.
Leerlingen leren rekenstof beter wanneer zij die verspreid over de tijd oefenen en herhalen dan wanneer alle oefening en herhaling in één aaneengesloten periode plaatsvindt. Doordat je de stof op verschillende momenten opnieuw traint, versterken leerlingen hun rekenvaardigheden. Dit geldt voor leerlingen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs en voor verschillende reken-wiskundedomeinen. Onderzoek geeft echter geen antwoord op de vraag hoe je rekenleerstof het beste over een heel schooljaar verdeelt.
Specifiek voor pabo-opleidingen is niet onderzocht of heterogene of homogene groepen gunstiger zijn voor het studiesucces van studenten. In andere contexten blijken de verschillen klein. Factoren zoals onderwijskwaliteit, sociaaleconomische achtergrond en taalvaardigheid zijn belangrijker voor de leerresultaten dan de groepssamenstelling. Bij opleidingen met weinig mannen, zoals de pabo, kan het gunstig zijn om enkele mannen bij elkaar in een groep te plaatsen. Als je hen te veel over de groepen verspreidt, voelen zij zich eerder een uitzondering.