Een effectieve aanpak om te differentiëren lijkt los te staan van de keuze voor thematisch of niet-thematisch werken. Uit onderzoek is niet bekend of thematisch werken een goede context is voor differentiatie in het speciaal onderwijs. Wat wel helpt om leerlingen in het speciaal onderwijs maatwerk te bieden is: meer leertijd, begeleid spel, directe instructie, Response to Intervention en formatief handelen.
Het is mogelijk om met inzet van augmented reality (AR) en virtual reality (VR) het onderwijs zo in te richten dat dit een positief effect heeft op de motivatie van mbo-studenten. Bij AR zijn verschillende technologische, pedagogische en didactische kenmerken van belang, zoals gebruikersinterface en interactie, activiteiten en ervaringen, ondersteuning en toetsing. Het is niet bekend of er een blijvend positief effect is van AR en VR op de motivatie als het onderwijs deze technieken structureler en langduriger inzet.
Het directe instructie-model is een zeer effectieve werkwijze bij onderwijs in taal, rekenen en zaakvakken. Dit geldt ook voor het onderwijs aan de jongste leerlingen. Directe instructie-programma’s voor beginnende geletterdheid en beginnende gecijferdheid hebben een positieve invloed op de ontwikkeling van leerlingen. Deze is enkele jaren later nog meetbaar. Begeleid spel is eveneens zeer belangrijk voor de ontwikkeling van jonge leerlingen, zeker in combinatie met directe instructie.
Leerlingen vanaf de middenbouw van de basisschool leren waarschijnlijk van digitale huiswerkoefeningen voor rekenen en taal; misschien zelfs meer dan van papieren huiswerk. De oefeningen moeten wel aansluiten bij het niveau van de leerlingen. Verder is het belangrijk dat leerlingen voldoende leertijd besteden aan het werken met het programma. Ook moeten ze onmiddellijk feedback krijgen op hun antwoorden. Leerkrachten die goed gebruikmaken van de informatie uit het programma behalen een hoger leerrendement met hun leerlingen.
De voornaamste verschillen tussen het havo- en vwo-curriculum zitten in de hoeveelheid stof en het tempo waarin de stof wordt behandeld. Daarnaast doet het vwo meer een beroep op de cognitieve niveaus ‘transfergerichte toepassingen’ en ‘inzicht’. Op het havo ligt het accent meer op ‘onthouden’ en ‘trainingsgerichte toepassing’. Bij toetsing, om te bepalen of leerlingen meer geschikt zijn voor havo of voor vwo, is het van belang om zowel naar de totaalscore te kijken, als naar de afzonderlijke scores op onderliggende cognitieve niveaus.
Nederlandse leerlingen blijken internationaal gezien niet sterk gemotiveerd om te leren, maar scoren evenmin over de gehele linie slecht. Of lage toetsresultaten of leerprestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs het gevolg zijn van motivatiegebrek, is niet duidelijk. Het versterken van de motivatie om te leren bij vo-leerlingen is vermoedelijk geen effectieve strategie om leerprestaties te verbeteren. Daar is namelijk weinig empirisch bewijs voor.
Hoogbegaafde leerlingen kunnen zich zowel in een heterogene als homogene klas prettig voelen. Voordeel van een klas met andere hoogbegaafden is dat zij onderwijs krijgen dat beter past bij hun leerbehoeften. Het effect op het welbevinden hangt echter ook af van (onder andere) kenmerken van het kind en de lesstijl van de leraar. Het is dan ook belangrijk om individueel af te wegen in welke soort klas het kind zich het best voelt.
Onderzoek naar kenmerken van het leren van vmbo-leerlingen in de verschillende leerwegen is bijna niet gedaan. Wel weten we dat vmbo’ers meestal minder talig en zelfstandig zijn dan havisten en vwo’ers en dat ze een negatiever zelfbeeld hebben. Tegelijkertijd zijn ze meer praktisch gericht en hebben ze een beter inlevingsvermogen. Het is belangrijk om vmbo’ers een realistische en afwisselende leeromgeving te bieden en hen motivatiestrategieën aan te leren.
Leerkrachten kunnen leerlingen op verschillende manieren stimuleren om buiten school te leren. Dat kan door het begeleiden van buitenschoolse activiteiten, door in te spelen op de interesses van leerlingen en door buitenschoolse contexten toe te passen in het formele leren. Bij het leggen van een verbinding tussen schools en buitenschools leren moeten leerkrachten er voor waken het onderwijs ‘op te leuken’ en het buitenschoolse leren te ‘verschoolsen’.
Motivatie tijdens het (online) leren van volwassen tweede taalleerders kan worden bevorderd als deelnemers van en over elkaar leren en toepassing in het dagelijks leven centraal staat. Hierbij is het belangrijk dat de deelnemers inhoud van buiten de les aandragen en daar gezamenlijk op reflecteren – ook tijdens online lessen. Docenten kunnen dit onder meer faciliteren via de flipped classroom-methode.