Veel leerkrachten geven hun leerlingen vanaf de middenbouw werk mee naar huis. Zo kunnen de leerlingen wennen aan het zelfstandig maken van huiswerk. In het voortgezet onderwijs draagt huiswerk eraan bij dat leerlingen betere cijfers halen op school. Bij basisschoolleerlingen is daar onvoldoende bewijs voor.
Fundamentele verschillen tussen huiswerk online en op papier
Met een digitaal oefenprogramma maken leerlingen het huiswerk op een tablet, laptop of smartphone. Deze programma’s zijn vaak adaptief. Ze passen het aanbod en de uitleg aan aan het niveau van de leerling, zijn leervorderingen en zijn leervoorkeuren. Sommige programma’s houden ook de snelheid waarmee de leerling de oefeningen maakt bij. Digitale oefenprogramma’s kunnen leerlingen en leerkrachten onmiddellijk feedback geven. De leerlingen krijgen uitleg over wat ze goed en fout hebben gedaan. Leerkrachten zien of de leerlingen hun huiswerk hebben gemaakt, hoe ver zij zijn gekomen en waar eventueel extra instructie nodig is.
De mogelijkheden om opdrachten af te stemmen op het niveau en de leervoorkeuren van individuele leerlingen zijn bij huiswerk op papier beperkter. Verder weet de leerkracht pas welke leerlingen het huiswerk hebben gemaakt, wanneer het is ingeleverd. De leerlingen krijgen meestal de volgende dag te horen hoe ze de opdrachten hebben gemaakt.
Weinig bekend over verschillen in leerrendement
Of digitaal huiswerk tot dezelfde of betere leerresultaten leidt dan papieren huiswerk, is nauwelijks onderzocht. Uit een van de weinige studies hiernaar komt naar voren dat resultaten voor rekenen/wiskunde in het voordeel uitvallen van het digitale programma; vooral voor zwak presterende leerlingen.
Er is wel veel bekend over de effectiviteit van adaptieve oefenprogramma’s op school, in vergelijking met oefenen op papier. En er zijn de nodige resultaten over het werken met adaptieve oefenprogramma’s thuis, zonder vergelijkingen met oefeningen op papier.
Adaptieve programma’s doen in de klas niet onder voor oefenen op papier
Digitale adaptieve oefenprogramma’s voor het automatiseren van basisvaardigheden lijken in het basis- en voortgezet onderwijs minstens even effectief als oefeningen op papier; soms zelfs een beetje beter. De positieve effecten doen zich vaker voor bij rekenen, dan bij spelling of lezen. Leerlingen die meer tijd besteden aan adaptieve oefenprogramma’s leveren betere prestaties dan leerlingen die meer tijd spenderen aan oefeningen op papier. Daarnaast profiteren leerlingen van de onmiddellijke en uitgebreide feedback die het digitale programma biedt.
Thuis oefenen ondersteunt leerlingen bij het automatiseren van vaardigheden
Ook thuis ondersteunen digitale programma’s het oefenen van basisvaardigheden. Brugklassers bijvoorbeeld boeken kleine positieve leereffecten als ze thuis oefenen met een adaptief spelling- of rekenprogramma. Vooral zwakkere leerlingen profiteren. Hoe meer de leerlingen thuis oefenen, hoe hoger het leerrendement. Voor brugklassers maakt het overigens niet uit of ze het digitale oefenprogramma op school gebruiken of thuis.
Basisschoolleerlingen leren eveneens basisvaardigheden als ze thuis digitaal oefenen. Het is daarbij wel van belang dat leerlingen het oefenen als haalbaar en nuttig zien. Belangrijke voorwaarden zijn dat leerlingen onmiddellijke feedback krijgen en ze de opgaven in hun eigen tempo kunnen maken, afgestemd op hun vorderingen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Christa Teurlings en Melissa van Amerongen (kennismakelaars Kennisrotonde).