Het lijkt erop dat individueel digitaal thuisonderwijs niet gunstig is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de meeste basisschoolleerlingen. Omdat er minder persoonlijk contact is, lopen met name kwetsbare leerlingen risico om zich eenzaam te voelen. Maar er is te weinig robuust onderzoek gedaan om het effect van dit type onderwijs op de sociaal-emotionele ontwikkeling van basisschoolleerlingen goed te beschrijven.
Goed ondersteunde observatie van simulaties is een krachtig leermiddel waarmee studenten kennis en vaardigheden kunnen ontwikkelen en versterken. Studenten die van een begeleider duidelijke observatie-instructies en een bijbehorend beoordelingsinstrument krijgen, leren net zo veel als degenen die actief deelnemen aan de simulatie. De ontwikkeling van vaardigheden is gebaat bij inhoudelijke feedback en begeleiding, van de begeleider of een expert. Technologische ontwikkelingen, zoals Virtual Reality, bieden mogelijkheden om observatie van simulaties te verbeteren. In VR-simulaties kan observatie dezelfde leerwinst opleveren als actieve deelname.
Met simulaties bootsen opleidingen situaties uit de beroepspraktijk na. Ze beogen daarmee een veilige en gecontroleerde omgeving te bieden waarin studenten hun theoretische kennis in de praktijk kunnen brengen, klinische vaardigheden kunnen oefenen en fouten kunnen maken. Er is veel bewijs voor de effectiviteit van simulaties op het vergroten van kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen in verpleegkunde-opleidingen. Dit geldt vooral bij simulaties op basis van scenario’s en in combinatie met briefing- en debriefing-activiteiten.
Uitlegvideo’s maken kan in meerdere opzichten leerzaam zijn voor leerlingen. Het kan hun leerresultaten en ict-vaardigheden verbeteren. Mogelijk zijn er nog andere voordelen, zoals de betrokkenheid en het eigenaarschap bij leerlingen vergroten. En het geeft hun de kans creatief te zijn en hun kennis op een andere manier te demonstreren. Leerlingen kunnen beter leren samenwerken, omdat ze de video’s vaak in groepjes produceren. Tot slot kunnen ze er meer zelfvertrouwen door krijgen. Aan de andere kant kunnen leerlingen zorgen hebben over de kwaliteit van de video, of over hun online reputatie bij publicatie ervan. Of uitlegvideo’s kíjken ook positieve effecten op leerlingen heeft is nauwelijks onderzocht.
Het is niet eenvoudig om effectief vakoverstijgend onderwijs te ontwerpen. Mogelijk kan design thinking hierbij uitkomst bieden. Onderzoek heeft hiervoor nog geen empirisch bewijs aangedragen. Bij design thinking verkennen de deelnemers gezamenlijk (ontwerp)vraagstukken. Vervolgens ontwerpen en testen ze oplossingen en stellen deze zo nodig bij. Deelnemers die werken met design thinking zeggen dat de methode hen helpt om vakoverstijgend onderwijsmateriaal te maken.
Studenten lijken hogere cijfers te halen op een kennistoets als docenten chatbots didactisch goed inzetten, zoals studenten vooraf vakinhoudelijke vragen laten stellen aan een chatbot. De chatbot kan fungeren als een studie-buddy die uitleg geeft, wedervragen stelt en studenten aanmoedigt. De chatbot werkt ook goed als digitale tutor die direct feedback geeft.
Er is nog geen sterk bewijs dat gebruik van generatieve artificiële intelligentie leidt tot betere of slechtere informatievaardigheden. Het kan voor studenten een hulpmiddel zijn bij lessen in informatievaardigheden, bijvoorbeeld om gestructureerde zoekopdrachten of onderzoeksvragen te formuleren. Dan is het wel nodig dat studenten kennis hebben over AI en haar beperkingen. Docenten kunnen studenten ‘AI-geletterder’ maken door ze te leren output kritisch te beoordelen en effectieve prompts te formuleren.
Hoe docenten en studenten tijdens de les interacteren lijkt vooral afhankelijk te zijn van hoe digitaal werken is ingericht. Afwisseling in werkvormen zorgt voor diverse interactiemogelijkheden. Wanneer studenten zelfstandig werken, kan de docent de interactie bevorderen door rond te lopen en contact te maken. Gebruik van digitale communicatie tijdens de les, zoals chatten, kan nuttig zijn mits het niet afleidt van de lesinhoud. Daarnaast is het van belang dat docenten de technologie voldoende beheersen, zodat dit de interactie niet in de weg staat.
Het is (nog) niet bekend welke didactische aanpak bij de inzet van AI-schrijftools, zoals ChatGPT en Copilot, effectief is voor de ontwikkeling van de schrijfvaardigheid van mbo-studenten. AI-schrijftools zijn zo nieuw, dat er nog geen grootschalige effectstudies zijn uitgevoerd. Bovendien komen er regelmatig nieuwere, verbeterde versies van de tools beschikbaar. Waar wel voldoende kennis over is zijn de eigenschappen van AI-schrijftools en de mogelijke consequenties daarvan in het onderwijs. Deze kennis zou logischerwijs onderdeel moeten zijn van het didactisch repertoire van docenten en de competenties van studenten.
De inzet van devices in de klas heeft de potentie om leerresultaten van basisschoolleerlingen te verbeteren. Of dat daadwerkelijk gebeurt, hangt af van de manier waarop en de context waarin devices gebruikt worden. Ook is het afhankelijk van het doel dat leerkrachten voor ogen hebben. Door de vele toepassingen die devices hebben, is er geen eenduidig overzicht van aspecten die devices in de klas effectief maken om leerresultaten te verhogen.