Zijn niveauverschillen tussen havo- en vwo-leerlingen terug te voeren op verschillen in kennisreproductie, toepassing van kennis en inzicht?

De voornaamste verschillen tussen het havo- en vwo-curriculum zitten in de hoeveelheid stof en het tempo waarin de stof wordt behandeld. Daarnaast doet het vwo meer een beroep op de cognitieve niveaus ‘transfergerichte toepassingen’ en ‘inzicht’. Op het havo ligt het accent meer op ‘onthouden’ en ‘trainingsgerichte toepassing’. Bij toetsing, om te bepalen of leerlingen meer geschikt zijn voor havo of voor vwo, is het van belang om zowel naar de totaalscore te kijken, als naar de afzonderlijke scores op onderliggende cognitieve niveaus.

Gepubliceerd:

niveauverschillen

Veel leerlingen komen, samen met hun ouders of verzorgers, voor de keuze tussen havo of vwo te staan. Om de juiste beslissing te kunnen nemen, is het belangrijk om een goed beeld te hebben van de verschillen tussen de twee schoolniveaus. Het gaat hierbij om de inhoud en de manier waarop de leerstof onderwezen en getoetst wordt. Ook gaat het om kenmerken die leerlingen op elk van de niveaus doorgaans nodig hebben om succesvol mee te komen.

Verschillen tussen havo en vwo vooral zichtbaar in de bovenbouw

Er blijkt nauwelijks onderzoek beschikbaar naar essentiële verschillen tussen havo en vwo. De grootste inhoudelijke verschillen zitten in het extra leerjaar voor het vwo, de hoeveelheid stof en het tempo en de manier waarop de stof onderwezen wordt. Vwo-leerlingen volgen meer vakken en meer onderwerpen per vak. Dit komt vooral tot uiting in de bovenbouw. In de onderbouw zijn de inhoudelijke verschillen klein en bestaat er een grote overlap in de tussendoelen voor havo en vwo.

Vwo-leerlingen scoren hoger op intelligentie en cognitieve vaardigheden dan havo-leerlingen. Ook hanteren vwo’ers andere cognitieve strategieën en studiestrategieën. Dat sluit aan bij het cognitieniveau waarop leerlingen geacht worden te functioneren. Bij havo ligt de nadruk op het leren zelf en bij vwo op het begrijpen van de leerstof. De variatie binnen de groepen is overigens groter dan tussen beide groepen.

Toetsen om het niveau van de leerling vast te stellen

Toetsen kunnen helpen bij het bepalen of een leerling geschikter is voor havo of voor vwo. In het onderwijs is het gebruikelijk om leerdoelen en/of toetsvragen te classificeren. Veel gebruikte classificatiesystemen zijn de taxonomie van Bloom en de RTTI-methodiek.

De taxonomie van Bloom heeft betrekking op leerdoelen, onderscheiden in kennis en cognitieve processen. Onder kennis vallen categorieën als feitelijke kennis, conceptuele kennis, procedurele kennis en meta-cognitieve kennis. Cognitieve processen kennen zes niveaus, oplopend in complexiteit: onthouden, begrijpen, toepassen, analyseren, evalueren en creëren. In het vwo zullen de leerdoelen iets vaker op het niveau van begrijpen, toepassen en analyseren zitten dan op het havo.

RTTI staat voor reproductie (R), trainingsgerichte toepassingen (T1), transfergerichte toepassingen (T2), en inzicht–innovatie (I). De toetsing voor havo is meer reproductief van aard, en ingebed in minder complexe teksten en contexten (R/T1). Bij vwo ligt het accent op begrijpen in complexe omgevingen (T2/I).

Cognitieve niveaus zijn niet strikt hiërarchisch geordend

Bloom’s taxonomie gaat er vanuit dat cognitieve complexiteit hiërarchisch is. Kennis kun je alleen zinvol toepassen als je de bijhorende begrippen kent en begrijpt. Kennen en begrijpen zijn daarmee een voorwaarde voor de hogere niveaus van cognitieve complexiteit, zoals toepassen en analyseren. Deze hiërarchie laat RTTI los. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld goed scoren op inzichtvragen, maar slecht op reproductievragen omdat ze weinig energie hebben gestoken in het leren van feitelijke kennis. Consequentie hiervan is dat je alle niveaus moet bevragen om over elk van de niveaus zinvolle uitspraken te kunnen doen.

Het is dus verstandig om niet alleen te kijken naar de totaalscore van een toets. Het differentiëren naar prestaties op de verschillende cognitieve niveaus maakt verschillen beter zichtbaar. Daarmee vergroot je de voorspellende waarde van de leerprestaties voor de meest kansrijke type bovenbouw. En dat bevordert de kwaliteit van het keuzeproces voor de leerling.

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Wilco Emons (antwoordspecialist) en Sjerp van der Ploeg (kennismakelaar Kennisrotonde).


Ga je het antwoord gebruiken in het onderwijs?
Wat vind je van de leesbaarheid van het antwoord?

Privacyverklaring

Wij gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens. Lees hierover meer in onze privacyverklaring.