Nieuwkomers in groep 3 hebben meer tijd nodig om mondeling en schriftelijk vaardig te worden in het Nederlands. Bepaalde vormen van vertraging en verbreding van het aanvankelijk leesproces kunnen daarvoor effectief zijn. Vertragen kan door deze leerlingen aanvullende lessen te geven, expliciete uitleg te geven en lesstof te herhalen. Verbreden kan vermoedelijk door taalonderwijs in andere delen van het curriculum te integreren, en door tweetalig leesonderwijs of onderwijs in de moedertaal van nieuwkomers te geven.
Het is aannemelijk dat onderwijs op een zeer kleine school geen negatief effect heeft op de sociale vorming van een leerling. Dat is in die specifieke context weliswaar niet onderzocht, maar valt af te leiden uit onderzoek naar de gevolgen van thuisonderwijs. Die situatie vertoont duidelijke verwantschap met de situatie op zeer kleine scholen met maximaal vijf leerlingen. Leerlingen die les krijgen op zeer kleine scholen ontwikkelen hun sociale vaardigheden even goed als leerlingen op reguliere scholen, mits sociale interacties met leeftijdgenoten buiten de school om worden gefaciliteerd.
Extra geld voor onderwijs leidt gemiddeld genomen tot hogere onderwijsopbrengsten. In het basis- en voortgezet onderwijs verbeteren de toetsresultaten, is er meer doorstroom naar vervolgonderwijs en halen meer leerlingen hun diploma. De financiële middelen worden voornamelijk ingezet voor kleinere groepen en klassen, huisvesting, meer onderwijstijd en lerarensalarissen.
De afwezigheid van een duidelijke handvoorkeur bij leerlingen van zes en zeven jaar hangt niet samen met taalproblemen of geletterdheid. Lateralisatie van de hersenen – verschillen in specialisatie van beide hersenhelften – is een complex en overwegend genetisch bepaald proces, dat zich grotendeels los van handvoorkeur ontwikkelt. Er is geen bewijs dat lateralisatieoefeningen bijdragen aan het versterken van de handvoorkeur of aan het lateraliseren van de hersenen.
Universitaire studenten kunnen verschillende hulpbronnen inzetten om hun welzijn te verbeteren. De voornaamste zijn professionele, sociale en technologische ondersteuning, en een gezonde levensstijl. Deze hulpbronnen zorgen onder andere voor meer veerkracht. Studenten leren ook beter omgaan met problemen en ze ervaren minder stress, angst en depressie. Studenten zoeken echter nauwelijks hulp of doen dat te laat. Zij geloven niet dat het helpt, staan er negatief tegenover vanwege prestatiedruk en stigmatisering of zijn bang voor negatieve gevolgen voor hun studieresultaten.
In semantisch of metaconceptueel grammaticaonderwijs leren leerlingen hoe zinnen zijn opgebouwd en waarom dat zo is. Deze aanpak heeft een positief effect op zinsontleding en het taalbewustzijn van onder meer vwo-3-leerlingen en brugklassers. Leerlingen die volgens deze benadering les krijgen, hebben meer begrip van grammaticale zinsconstructies dan leerlingen die traditionele grammaticalessen volgen. Of deze positieve uitkomsten ook voor het primair onderwijs gelden, is niet bekend. Daar is geen onderzoek naar gedaan.
Om leerlingen goed te ondersteunen in hun leerproces en om een veilig klas- en schoolklimaat te creëren, moet een docent in staat zijn tot goed pedagogisch handelen. Om dat handelen te meten en te evalueren, kunnen docenten verschillende instrumenten gebruiken. De belangrijkste zijn zelfrapportages en observaties. Daarmee kunnen docenten inzicht krijgen in onder meer opvattingen over lesgeven en leren, keuzes voor instructie, klassenmanagement, leerlingbetrokkenheid en wijze van communiceren.
De effectiviteit van remedial teaching hangt vooral af van de kwaliteit van de extra ondersteuning en instructie. Een leerkracht die gekwalificeerd is voor remedial teaching behaalt de hoogste resultaten. Scholen kunnen remedial teaching het beste inzetten door regelmatig korte sessies aan te bieden. Ook is het belangrijk dat leerlingen al op jonge leeftijd met remedial teaching starten, want vroege signalering van een leerachterstand kan problemen op langere termijn voorkomen. Remedial teaching heeft meer en sneller effect op lezen en schrijven dan op rekenen. Het maakt niet veel verschil of de ondersteuning een-op-een plaatsvindt of in een kleine groep.
Studenten die schrijfcursussen hebben gevolgd, scoren beter op kritisch denkvermogen dan voor de cursus. Ze doen het ook beter dan studenten die geen schrijfcursussen volgden. Vooral de combinatie van onderwijs in schrijven én kritisch denken blijkt effectief om het kritisch vermogen te stimuleren. Docenten kunnen hier kritisch denken expliciet onderwijzen of aan bod laten komen via dialogen en discussies tussen en met studenten.
Sense-of-belonging gaat om een gevoel van verbinding met de universitaire opleiding, docenten en medestudenten. Er is een relatie tussen dit gevoel en studentenwelzijn en studiesucces. Beperkt onderzoek geeft aanwijzingen dat je sense-of-belonging op verschillende manieren kunt versterken. Vooral activerende en verbindende didactiek en extra-curriculaire activiteiten blijken effectief. Deze elementen dragen ook bij aan een groter studiesucces.