Welk effect ‘voortoetsen’ hebben op de rekenprestaties van basisschoolleerlingen is niet direct onderzocht. Dat geldt ook voor het effect ervan op hun geloof in eigen kunnen (self-efficacy). Het is aannemelijk dat vooraf toetsen de rekenprestaties van leerlingen bevordert, als leerkrachten dit inzetten bij formatief handelen of bij compacten en verrijken voor sterke rekenaars. Dan moeten de toetsen wel aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Leerlingen met een hogere intelligentie zijn over het algemeen beter in begrijpend lezen. Deze relatie is echter tamelijk complex omdat beide concepten uit meerdere deelvaardigheden bestaan. Specifieke deelvaardigheden van intelligentie spelen een belangrijke rol bij begrijpend lezen. Deze deelvaardigheden hangen samen met de kennis en vaardigheden getoetst op methodeonafhankelijke toetsen. Daarom is het aannemelijk dat intelligentie van invloed is op de scores van deze toetsen. We weten niet of dat ook geldt voor methodegebonden toetsen.
Hoewel verschillende kenmerken van startende leraren relevant lijken voor de vormgeving van hun begeleiding, is het niet goed te zeggen voor wie nou precies welk arrangement het meest geschikt is. Maatwerk in overleg met starters lijkt het beste, waarbij het belangrijk is dat de begeleiding breed en doelgericht is. Bij zij-instromers is het belangrijk om collegiaal contact te stimuleren en relevante expertise uit hun eerdere loopbaan actief te waarderen.
Studenten die beoordeeld worden aan de hand van een woordschaal (zoals ‘onvoldoende’ of ‘goed’) lijken even hard te werken als studenten die beoordeeld worden aan de hand van cijfers. Zij zijn even vaak aanwezig bij studieactiviteiten en besteden evenveel tijd aan hun studie. Wel zijn er aanwijzingen dat beoordelen met woorden andere aspecten van het studeergedrag positief beïnvloedt. Maar op studieresultaten is er geen effect; studenten die worden beoordeeld met woorden halen vergelijkbare studieresultaten als studenten die cijfers krijgen.
Studenten beoordelen met woorden in plaats van met cijfers zorgt doorgaans voor een beter welzijn van studenten. Ze ervaren minder angst, depressie en stress, en meer positieve emoties en energie. Ook zijn ze tevredener over hun studie en hun persoonlijke leven. Dit lijkt vooral zo te zijn als een woordbeoordelingsschaal bestaat uit twee categorieën, bijvoorbeeld ‘voldaan’ of ‘niet voldaan’.
In het voortgezet onderwijs blijkt er geen relatie te zijn tussen het aantal toetsen dat leerlingen moeten maken en hun ervaren toetsdruk of toetsstress. Dit sluit aan bij bevindingen in het hoger onderwijs, waar die relatie evenmin wordt gevonden. Andere factoren zoals geslacht, migratieachtergrond, onderwijstype of prestatiecultuur spelen een grotere rol in de ervaren toetsdruk dan het aantal toetsen.
Toetsen die in eerste instantie summatief zijn ingezet, kunnen vervolgens ook prima een formatief vervolg krijgen. Het maken van (oefen)toetsen blijkt de prestaties van vo-leerlingen op een latere toets te kunnen verbeteren. Verder kan het in groepjes nabespreken van een toets een positief effect hebben op de prestaties van vo-leerlingen op een latere vergelijkbare toets. Ook analyse van toetsvragen als huiswerkopdracht blijkt een effectief middel om studenten beter te laten presteren op een latere vergelijkbare toets.
Het is aannemelijk dat de betrouwbaarheid en validiteit van portfolio’s sterk afhankelijk zijn van de manier waarop opleidingen ze samenstellen en beoordelen. Opleidingen kunnen de betrouwbaarheid en validiteit versterken. Bijvoorbeeld door te werken met portfolio’s die een mix aan opdrachten en taken bevatten en door meerdere getrainde professionals de portfolio’s op eenduidige criteria te laten beoordelen. Dit blijkt uit onderzoek in het hoger onderwijs. In het mbo is weinig onderzoek naar portfoliomethodiek gedaan.
De voornaamste verschillen tussen het havo- en vwo-curriculum zitten in de hoeveelheid stof en het tempo waarin de stof wordt behandeld. Daarnaast doet het vwo meer een beroep op de cognitieve niveaus ‘transfergerichte toepassingen’ en ‘inzicht’. Op het havo ligt het accent meer op ‘onthouden’ en ‘trainingsgerichte toepassing’. Bij toetsing, om te bepalen of leerlingen meer geschikt zijn voor havo of voor vwo, is het van belang om zowel naar de totaalscore te kijken, als naar de afzonderlijke scores op onderliggende cognitieve niveaus.
Nederlandse leerlingen blijken internationaal gezien niet sterk gemotiveerd om te leren, maar scoren evenmin over de gehele linie slecht. Of lage toetsresultaten of leerprestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs het gevolg zijn van motivatiegebrek, is niet duidelijk. Het versterken van de motivatie om te leren bij vo-leerlingen is vermoedelijk geen effectieve strategie om leerprestaties te verbeteren. Daar is namelijk weinig empirisch bewijs voor.