Complementaire co-teaching kan bijdragen aan de professionele ontwikkeling van leraren. Hun didactische vaardigheden verbeteren. Ze kunnen beter problemen oplossen, ze gaan sterkere samenwerkingsrelaties aan en zien nieuwe perspectieven. Het is wel belangrijk dat de relatie tussen beide co-teachers gelijkwaardig is, vooral wanneer leraren in het regulier en speciaal onderwijs co-teachen. Om zich goed voor te bereiden op de verschillende rollen binnen co-teaching, helpt het als leraren hiermee oefenen, bijvoorbeeld tijdens de opleiding.
Het vertrek van leerkrachten en nieuwe leerkrachten aannemen op een basisschool heeft een negatief effect op de leerprestaties voor taal en rekenen. Dat heeft waarschijnlijk vooral te maken met de tijdelijke verstoring die personeelswisselingen met zich meebrengen. Nieuwe leerkrachten moeten zich inwerken in een bestaand team en een bestaande organisatie. Ook in het voortgezet onderwijs blijkt dat het verloop onder leraren de leerprestaties van leerlingen nadelig kan beïnvloeden.
Hoe ouder basisschoolleerlingen zijn, hoe beter ze in staat zijn individueel geconcentreerd te werken. Er is echter geen onderbouwde vuistregel om hoeveel minuten dat bij verschillende leeftijden zou moeten zijn. Behalve leeftijd zijn ook andere factoren van invloed op hoe lang basisschoolleerlingen van verschillende leeftijden individueel geconcentreerd kunnen werken. Het gaat onder meer om de moeilijkheidsgraad van de taak, op welke manier de leerling omgaat met afleiding en het gevoel van welbevinden in de klas.
Door recente aanscherpingen van de regelgeving rondom de vrijwillige ouderbijdrage heeft een deel van de basisscholen het aanbod aan extra-curriculaire activiteiten afgeslankt. Dit kan er op wijzen dat scholen bezuinigen op vieringen en uitstapjes voor leerlingen als ze de vrijwillige ouderbijdrage afschaffen.
Voor succesvolle digitale communicatie tussen leerkrachten en ouders is het belangrijk om na te gaan of ouders voldoende digitaal vaardig zijn. Communicatievoorkeuren afstemmen en nagaan wanneer een- of tweerichtingsverkeer in de communicatie nodig is, speelt ook mee. Wat werkdruk betreft is het raadzaam om tijd voor digitale communicatie goed af te bakenen. Verder zijn effecten van digitale communicatie in het onderwijs niet goed duidelijk, ze zijn namelijk nog onvoldoende empirisch onderzocht.
Het is aannemelijk dat onderwijs op een zeer kleine school geen negatief effect heeft op de sociale vorming van een leerling. Dat is in die specifieke context weliswaar niet onderzocht, maar valt af te leiden uit onderzoek naar de gevolgen van thuisonderwijs. Die situatie vertoont duidelijke verwantschap met de situatie op zeer kleine scholen met maximaal vijf leerlingen. Leerlingen die les krijgen op zeer kleine scholen ontwikkelen hun sociale vaardigheden even goed als leerlingen op reguliere scholen, mits sociale interacties met leeftijdgenoten buiten de school om worden gefaciliteerd.
Extra geld voor onderwijs leidt gemiddeld genomen tot hogere onderwijsopbrengsten. In het basis- en voortgezet onderwijs verbeteren de toetsresultaten, is er meer doorstroom naar vervolgonderwijs en halen meer leerlingen hun diploma. De financiële middelen worden voornamelijk ingezet voor kleinere groepen en klassen, huisvesting, meer onderwijstijd en lerarensalarissen.
Om leerlingen goed te ondersteunen in hun leerproces en om een veilig klas- en schoolklimaat te creëren, moet een docent in staat zijn tot goed pedagogisch handelen. Om dat handelen te meten en te evalueren, kunnen docenten verschillende instrumenten gebruiken. De belangrijkste zijn zelfrapportages en observaties. Daarmee kunnen docenten inzicht krijgen in onder meer opvattingen over lesgeven en leren, keuzes voor instructie, klassenmanagement, leerlingbetrokkenheid en wijze van communiceren.
Het aantal uren onderwijs in een schooljaar hangt in het voortgezet onderwijs licht samen met positieve leerprestaties. Dat geldt vooral voor instructietijd en uren binnen het reguliere curriculum. De lesweek onbeperkt uitbreiden is niet zinvol; tot ongeveer vier uur per week is er sprake van meeropbrengsten. Ook andere factoren spelen een rol in de relatie tussen onderwijstijd en leerprestaties, zoals de kwaliteit van de lessen en van de school, en de middelen die een school tot zijn beschikking heeft.
Geactualiseerd: 14 juni 2024
Een combinatie van ondersteuning, begeleiding en oriëntatieprogramma’s verkleint de kans op uitval onder startende leerkrachten. Hoe meer verschillende activiteiten de school aanbiedt, hoe lager de kans op uitval. De inzet van een mentor kan eveneens helpen om nieuwe leerkrachten voor het onderwijs te behouden. Mogelijk zijn deze vormen van begeleiding ook effectief voor zij-instromers in het beroep, hoewel daar geen onderzoek naar is gedaan.