Er is enig bewijs dat een meertalig kind met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) meer baat heeft bij ondersteuning in alle talen die het spreekt dan bij ondersteuning in één taal. Aannemelijk is dat logopedisten die gespecialiseerd zijn in meertaligheid hierin uitkomst kunnen bieden. Voor een goede diagnostisering van een TOS is het van belang om een kind te testen in alle talen die het spreekt. Ook het proces van het taalleren moet in kaart worden gebracht.
Onderzoeken naar de effecten van lockdowns op taalontwikkeling laten een wisselend beeld zien. De sluiting van de kinderopvang werkte negatief uit op de spraak- en taalontwikkeling. De lockdown had invloed op hoeveel en hoe kinderen thuis werden voorgelezen, wat positief is voor de taalontwikkeling. Meer schermtijd heeft dan weer mogelijk een negatief effect. Al met al was het negatieve effect van lockdowns groter voor kinderen uit gezinnen met een lagere sociaal-economische status en voor risicogroepen.
De effectiviteit van een methode om met zeer moeilijk lerende NT2-leerlingen te communiceren, is afhankelijk van meerdere factoren. Zo spelen cognitieve ontwikkeling en lichamelijke gesteldheid van de leerling, aanpak van de leerkracht en thuisomgeving een belangrijke rol. Om een methode te vinden die past bij de behoeften en mogelijkheden van de leerling is het cruciaal om daar onderwijsprofessionals en ouders bij te betrekken. Daarnaast is een cultureel-sensitieve leeromgeving van belang, zodat de leerling zich daarin herkent en zich gerespecteerd kan voelen.
Om leesopvoeding thuis te versterken zijn twee voorwaarden belangrijk. De school moet de leesvaardigheid van leerlingen op peil krijgen en houden door aandacht te geven aan vloeiend lezen. Daarnaast is een aantrekkelijk boekenaanbod van belang. Een positief leesklimaat thuis verhoogt de kans dat een kind met plezier gaat lezen. Vanwege de grote verschillen tussen ouders is maatwerk nodig om hen te betrekken bij leesbevordering. Ook de verschillen tussen leerlingen maken dat noodzakelijk.
Aparte klassen organiseren voor minder sterk presterende leerlingen brengt ingrijpende risico’s met zich mee. Onbewuste stigmatisering en lage verwachtingen van leerkrachten kunnen namelijk negatieve effecten hebben voor de prestaties en het zelfbeeld van leerlingen. Om tot positieve effecten te komen is het van belang dat de school leerlingen selecteert op basis van prestaties, de prestaties regelmatig meet en selectie voor de Klusklas daarop aanpast. Verder moeten leerkrachten hoge verwachtingen hebben van leerlingen in de Klusklas en werken met een uitdagend curriculum.
Scholen bevorderen de betrokkenheid van ouders in kwetsbare situaties door de communicatie af te stemmen op hun behoeften aan autonomie, verbondenheid en competentie. Dat kunnen scholen doen door een respectvolle houding te hebben over de betrokkenheid van ouders, interesse te tonen in de thuiscultuur, en heldere verwachtingen uit te spreken. Het helpt daarbij om de communicatie aan te passen aan de taalvaardigheden en intellectuele mogelijkheden van ouders in kwetsbare situaties.
Kleuters bereiken leerdoelen in kleine tussenstappen en tonen hun vaardigheden tijdens het werken en spelen. Om de ontwikkeling van kleuters te volgen is het daarom belangrijk dat de leerkracht kleuters observeert tijdens hun dagelijkse activiteiten op school. Welke vaardigheden leerkrachten daarvoor nodig hebben, is niet bekend. Daar is geen onderzoek naar gedaan; ook niet bij leerlingen van andere leeftijden in het primair onderwijs.
Geactualiseerd: oktober 2024
Steunlessen zijn een vorm van re-teaching: het herhalen van essentiële elementen uit het klassikale aanbod aan leerlingen die dit nodig hebben. Verondersteld wordt dat re-teaching werkt als aan drie voorwaarden wordt voldaan. 1) gebruik van andere instructiemethoden dan tijdens de initiële les. 2) het maakt onderdeel uit van het reguliere onderwijsaanbod en 3) Dat leerlingen de mogelijkheid krijgen om te laten zien dat ze na re-teaching dezelfde stof beheersen als hun klasgenoten.
Geactualiseerd: 8 februari 2023
Positieve effecten van klassenverkleining op leerprestaties zijn voornamelijk gevonden bij leerlingen op de basisschool en bij leerlingen uit gezinnen met een laag inkomen. Voor zover effecten op prestaties zijn aangetoond in het voortgezet onderwijs, zijn die erg klein. Positieve effecten van klassenverkleining op gedrag, actieve betrokkenheid en welbevinden van leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn niet aangetroffen.
Probleemgedrag onder kinderen kan de gedragsontwikkeling belemmeren. Onder meer gezinsproblematiek, zoals relatieproblemen tussen ouders, scheiding en verschillende opvoedingsstijlen, kan dat probleemgedrag versterken. Een goede hechting tussen ouder en kind, en een sterke betrokkenheid van de ouder bij het kind lijken het probleemgedrag tegen te gaan. Verder kunnen de sociaal-economische status, en de faciliteiten en ondersteuning in de klas van invloed zijn op probleemgedrag onder kinderen.