Een instaptoets op beginniveau legt bij studenten lacunes in de basiskennis voor de start van een opleiding of vak bloot. Een instaptoets op eindniveau maakt duidelijk hoe ver of dichtbij studenten bij de te behalen leerdoelen staan. Het effect van instaptoetsen op het studierendement is afhankelijk van de vervolgacties van docenten en studenten. Onderzoek naar het effect op eerstejaars mbo-studenten specifiek bij rekenen ontbreekt. Wel zijn effecten op studierendement bekend voor andere sectoren en vakken.
Volgens interviews met onderwijsprofessionals kan extra inzet op NT2-onderwijs ervoor zorgen dat een veel groter deel van de studenten de Entree-opleiding succesvol afrondt. Of dit daadwerkelijk zo is, is niet onderzocht. Er is evenmin onderzoek gedaan naar het verschil in resultaten van tweedetaalleerders tussen NT1-onderwijs en NT2-onderwijs in de Entree-opleiding.
De deelname aan niveau 2- en niveau 3-opleidingen neemt de laatste jaren af, terwijl die op niveau 4 toeneemt. Deze trend was al zichtbaar voor de invoering van de Wet vroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht tot het mbo. Hierdoor zijn de effecten van deze nieuwe wet op deelnamecijfers niet precies vast te stellen. Mbo-scholen geven aan dat er meer problemen ontstaan in niveau 4. Door de wet moeten zij namelijk vmbo-kaderleerlingen toelaten tot niveau 4, ook wanneer de opleiding verwacht dat de slaagkansen voor de student te klein zijn. In de switch- en uitvalcijfers is dit echter niet terug te zien.
Aandacht voor vaktaal draagt voor NT2-studenten in het mbo bij aan betere studieresultaten. Mogelijk dat ze daardoor hun schoolloopbaan voortzetten. Voor de brede groep mbo-studenten is bekend dat toekomstperspectief bieden een succesfactor is om hen hun schoolloopbaan te laten vervolgen. Andere factoren die mbo-studenten op school houden zijn een goede binding met medestudenten en school, en ouderbetrokkenheid. Ook werkt een integrale aanpak om voortijdig schoolverlaten te voorkomen beter dan een aanpak gericht op een risicofactor.
Om kwalitatief goed onderwijs te kunnen bieden, is constructieve samenwerking binnen een mbo-team wenselijk. Verschillende interventies dragen bij aan bevordering van samenwerking tussen docenten in teams. Dat zijn: ontwikkeling van groepsdoelen en -normen, organisatie van groepsrollen, stimulering van een kritisch-reflectieve houding en bevordering van onderling vertrouwen. En taakafhankelijkheid en taakeigenaarschap, het zorgen voor een collectief geheugen en versterking van het regelvermogen.
Het is aannemelijk dat de betrouwbaarheid en validiteit van portfolio’s sterk afhankelijk zijn van de manier waarop opleidingen ze samenstellen en beoordelen. Opleidingen kunnen de betrouwbaarheid en validiteit versterken. Bijvoorbeeld door te werken met portfolio’s die een mix aan opdrachten en taken bevatten en door meerdere getrainde professionals de portfolio’s op eenduidige criteria te laten beoordelen. Dit blijkt uit onderzoek in het hoger onderwijs. In het mbo is weinig onderzoek naar portfoliomethodiek gedaan.
Begeleide onderwijstijd kan ervoor zorgen dat mbo-studenten betere leeropbrengsten behalen. Over de relatie tussen het aantal uren begeleide onderwijstijd en de leeropbrengsten is nauwelijks iets bekend. In het basis- en voortgezet onderwijs is daar wel onderzoek naar gedaan. Resultaat: meer instructietijd levert betere leerprestaties op. Voor de niet-beroepsgerichte vakken in het mbo kan dat mogelijk ook opgaan, maar is niet onderzocht.
Mbo-studenten met autismespectrumstoornissen (ASS) hebben vanaf het eerste contact met de opleiding intensieve ondersteuning en begeleiding nodig. Opleidingen kunnen het studieverloop van deze studenten bevorderen door het creëren van een inclusiever cultuur en leerklimaat. Daarvoor is onder meer professionalisering van docenten en praktijkbegeleiders belangrijk. Bedrijven die stageplaatsen aanbieden moeten er rekening mee houden dat deze studenten mogelijk trager informatie verwerken en taken uitvoeren.
De motivatie van mbo-studenten tijdens praktijkopdrachten kan door vier interventies worden bevorderd. Docenten bieden de student ondersteuning door scaffolding en reflectie, gecombineerd met feedback. Studenten werken samen aan praktisch relevante doelen. Het realiseren van praktijkgerichte experimenteerruimte tijdens het leren. En aandacht schenken aan succes en leerresultaten van studenten.
Het is mogelijk om met inzet van augmented reality (AR) en virtual reality (VR) het onderwijs zo in te richten dat dit een positief effect heeft op de motivatie van mbo-studenten. Bij AR zijn verschillende technologische, pedagogische en didactische kenmerken van belang, zoals gebruikersinterface en interactie, activiteiten en ervaringen, ondersteuning en toetsing. Het is niet bekend of er een blijvend positief effect is van AR en VR op de motivatie als het onderwijs deze technieken structureler en langduriger inzet.