Het is (nog) niet bekend welke didactische aanpak bij de inzet van AI-schrijftools, zoals ChatGPT en Copilot, effectief is voor de ontwikkeling van de schrijfvaardigheid van mbo-studenten. AI-schrijftools zijn zo nieuw, dat er nog geen grootschalige effectstudies zijn uitgevoerd. Bovendien komen er regelmatig nieuwere, verbeterde versies van de tools beschikbaar. Waar wel voldoende kennis over is zijn de eigenschappen van AI-schrijftools en de mogelijke consequenties daarvan in het onderwijs. Deze kennis zou logischerwijs onderdeel moeten zijn van het didactisch repertoire van docenten en de competenties van studenten.
Hoewel verschillende kenmerken van startende leraren relevant lijken voor de vormgeving van hun begeleiding, is het niet goed te zeggen voor wie nou precies welk arrangement het meest geschikt is. Maatwerk in overleg met starters lijkt het beste, waarbij het belangrijk is dat de begeleiding breed en doelgericht is. Bij zij-instromers is het belangrijk om collegiaal contact te stimuleren en relevante expertise uit hun eerdere loopbaan actief te waarderen.
Onderzoek maakt niet direct duidelijk of het kwaad kan of juist goed is om (powerpoint)slides te delen met leerlingen in het po en vo. De zorg dat leerlingen dan zelf geen aantekeningen meer maken kan wel gerelativeerd worden. Veel leerlingen op de middelbare school hebben sowieso moeite om zelf goede aantekeningen te maken. Zij hebben er baat bij als de docent hulpmiddelen verstrekt om goede aantekeningen te maken. Dit kunnen volledige aantekeningen zijn, een handout, aanvulaantekeningen en wellicht dus ook de slides van een presentatie.
Voor effectieve ontwikkeling, deling en benutting van kennis is een hecht professioneel netwerk in de school belangrijk. In zo’n netwerk werken docentonderzoekers gedurende de onderzoekcyclus samen met collega’s aan vraagstukken uit en oplossingen voor de onderwijspraktijk. Deze werkwijze vergroot het draagvlak. Naast de interactieve benadering is het belangrijk dat docentonderzoekers gestructureerd en planmatig samenwerken in een stabiele en goed gecoördineerde en begeleide groep. Leidinggevenden hebben in dit alles een ondersteunende rol.
Challenges en design thinking zijn relatief nieuwe manieren om onderzoekend en ontwerpend te leren. Omdat er weinig effectonderzoek beschikbaar is, is niet goed te zeggen of mbo-studenten er daadwerkelijk meer kennis en vaardigheden door opdoen. Wat betreft onderzoekend leren in het algemeen, is het belangrijk dat docenten rekening houden met kenmerken van studenten en waar nodig directe instructie inzetten in de context van onderzoekend leren.
Om leerlingen goed te ondersteunen in hun leerproces en om een veilig klas- en schoolklimaat te creëren, moet een docent in staat zijn tot goed pedagogisch handelen. Om dat handelen te meten en te evalueren, kunnen docenten verschillende instrumenten gebruiken. De belangrijkste zijn zelfrapportages en observaties. Daarmee kunnen docenten inzicht krijgen in onder meer opvattingen over lesgeven en leren, keuzes voor instructie, klassenmanagement, leerlingbetrokkenheid en wijze van communiceren.
De vijfvingertest is een methode om leerlingen zelf te laten beoordelen of het boek dat zij kiezen, aansluit bij hun leesvaardigheidsniveau. Leerkrachten en bibliotheekmedewerkers zetten de vijfvingertest regelmatig in. Omdat onderzoek naar het effect van de vijfvingertest ontbreekt, kunnen er geen uitspraken gedaan worden over de geschiktheid van de methode.
Er is geen eenduidig bewijs dat kauwgom kauwen in de klas bijdraagt aan de leerprestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Ook zijn resultaten wisselend of kauwgom kauwen bijdraagt aan cognitieve processen die leerprestaties verbeteren, zoals werkgeheugen. Er is het meest eenduidige bewijs dat kauwgom kauwen (jong)volwassenen helpt om hun aandacht vast te houden. Maar ook dan lijken andere, grotendeels nog onbekende factoren van invloed te zijn op het effect van kauwgom kauwen op leerprestaties en cognitieve processen.
Werkbegeleiders moeten oog hebben voor wat een student nodig heeft en welke werk- en leersituaties in de organisatie daarin kunnen voorzien. Verder moeten ze leerprocessen uitlokken, studenten begeleiden en hun ontwikkeling beoordelen. Ook is van belang dat ze de kwaliteit van het werk en het leerproces in balans houden. Het is niet duidelijk of werkbegeleiders zelf actief moeten zijn in het werk waarvoor ze studenten opleiden. Het is wel gebruikelijk dat werkbegeleiders recente werkervaring hebben.
Cultureel responsief onderwijs bevordert mogelijk de betrokkenheid, interculturele competenties en leerprestaties van studenten. Van verschillende ontwerpprincipes wordt verondersteld dat ze bijdragen aan het cultureel sensitiever maken van het onderwijs, vooral in samenhang. Onderzoek dat de effectiviteit van deze ontwerpprincipes aantoont op de beroepsvoorbereiding van studenten ontbreekt echter.