Om de overdracht van kennis naar toepassingssituaties te vergroten, kunnen docenten de instructie zo aanpassen dat studenten de overeenkomsten zien tussen het geleerde en de toepassingscontext. Docenten kunnen de leercontext en de toepassingscontext ook dichter bij elkaar brengen door bijvoorbeeld werkplekleren of door simulaties in te zetten.
Studenten lijken hogere cijfers te halen op een kennistoets als docenten chatbots didactisch goed inzetten, zoals studenten vooraf vakinhoudelijke vragen laten stellen aan een chatbot. De chatbot kan fungeren als een studie-buddy die uitleg geeft, wedervragen stelt en studenten aanmoedigt. De chatbot werkt ook goed als digitale tutor die direct feedback geeft.
Sommige leerlingen die Nederlands als tweede taal leren (NT2-leerlingen) spreken niet veel in het Nederlands, en oefenen daardoor weinig. Dat kan bijvoorbeeld komen door angst om in een andere taal te spreken of door cultuurverschillen. Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar de spreekvaardigheid van stillere NT2-leerlingen. Algemenere aanbevelingen om spreekvaardigheid te bevorderen gelden mogelijk ook voor deze groep. Zo dienen leraren een veilig spreekklimaat in de klas te creëren. Daarnaast kunnen leraren zorgen dat alle leerlingen veel mogelijkheden krijgen om te spreken en hun veel feedback geven.
Schoolleiders kunnen op verschillende manieren stimuleren dat leraren onderzoekend werken. Door het belang ervan expliciet te onderstrepen, leraren te stimuleren om onderzoeksliteratuur te gebruiken, en te zorgen voor voldoende tijd en begeleiding. Hoeveel effect de verschillende interventies hebben is nog niet goed onderzocht.
Hoe docenten en studenten tijdens de les interacteren lijkt vooral afhankelijk te zijn van hoe digitaal werken is ingericht. Afwisseling in werkvormen zorgt voor diverse interactiemogelijkheden. Wanneer studenten zelfstandig werken, kan de docent de interactie bevorderen door rond te lopen en contact te maken. Gebruik van digitale communicatie tijdens de les, zoals chatten, kan nuttig zijn mits het niet afleidt van de lesinhoud. Daarnaast is het van belang dat docenten de technologie voldoende beheersen, zodat dit de interactie niet in de weg staat.
Wanneer mbo-studenten inzicht verwerven in hun mediagedrag, kunnen ze leren verstandig om te gaan met hun smartphone tijdens beroepspraktijkvorming. Andere interventies zijn ze te leren wat de impact is van digitale afleiding en hoe ze die afleiding in verschillende contexten kunnen voorkomen. Het is niet bekend of een smartphoneverbod in de lessen invloed heeft op het gebruik van de smartphone op de leerwerkplek.
Rollenspellen lijken zowel voor studenten die meespelen als voor medestudenten die observeren bij te dragen aan hun zelfvertrouwen om lastige gesprekken te voeren. Niet onderzocht is of studenten ook feitelijk hun gespreksvaardigheden ontwikkelen. Of er een verschil is tussen rollenspellen met medestudenten of met een opgeleide trainingsacteur is onduidelijk.
Leerlingen met een midden- of hogere sociaal-economische status en gesteund door hun ouders, lopen minder risico op uitval in het mbo. Realistische verwachtingen over de opleiding en toekomstige beroepen vergroten de kans op een goede studievoortgang. Aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding in het voortgezet onderwijs helpt leerlingen om weloverwogen studiekeuzes te maken. De inzet van registratiesystemen voor vroegsignalering kunnen mogelijk uitval voorkomen. Dat zijn factoren die bijdragen aan een succesvolle aansluiting vmbo-mbo en intrede in het mbo. Specifiek onderzoek naar de overstap van havo naar mbo ontbreekt.
Effectieve activerende didactiek heeft een aantal algemene kenmerken die niet specifiek aan een onderwijssector gebonden zijn, maar daar uiteraard wel een eigen invulling moeten krijgen. Specifiek voor het mbo is de grote diversiteit in de studentenpopulatie, waardoor differentiëren belangrijk maar ook heel lastig is. Aan de andere kant biedt het mbo vanwege het beroepsgerichte karakter ook specifieke kansen voor activerende didactiek, die studenten helpt om hun beroepskennis, beroepsmatig handelen en een initiële beroepsidentiteit te ontwikkelen.
Vakinhoudelijke en vakdidactische expertise van docenten hebben een positief effect op de voortgang van het leerproces van studenten. Of er verschillen zijn in taalvaardigheid van studenten die les krijgen van docenten met NT1-expertise of van docenten met NT2-expertise is niet bekend. Daar is geen onderzoek naar gedaan. Het verschil in focus tussen wat er nodig is in een NT1- en NT2-klas maakt het echter aannemelijk dat specifieke expertise over lagere orde-vaardigheden en het taalverwervingsproces bevorderlijk is voor de taalverwerving van NT2-studenten.