De ouderversie van de SDQ, een screeningsvragenlijst voor psychosociale problematiek, geeft mogelijk een vertekend beeld van het psychosociale functioneren bij kinderen van ouders met een migratieachtergrond. Waar de totaalscore een betrouwbaar signaal van eventuele psychosociale problemen laat zien, doen scores op de subschalen dat mogelijk niet. Daarnaast spelen onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal door ouders met een migratieachtergrond en de beperkte culturele diversiteit van de SDQ een rol.
Hoogbegaafde leerlingen kunnen zich zowel in een heterogene als homogene klas prettig voelen. Voordeel van een klas met andere hoogbegaafden is dat zij onderwijs krijgen dat beter past bij hun leerbehoeften. Het effect op het welbevinden hangt echter ook af van (onder andere) kenmerken van het kind en de lesstijl van de leraar. Het is dan ook belangrijk om individueel af te wegen in welke soort klas het kind zich het best voelt.
Kinderen zijn op vierjarige leeftijd welkom op de basisschool; vanaf 5 jaar zijn ze leerplichtig. In het onderwijsbeleid wordt veel belang gehecht aan een soepele overgang van de voorschoolse periode naar de basisschool. De start op de basisschool verloopt echter niet voor alle kleuters optimaal. In drie delen hieronder staan aanpakken beschreven die zo’n soepeler overgang proberen te bewerkstelligen.
Leerkrachten kunnen leerlingen op verschillende manieren stimuleren om buiten school te leren. Dat kan door het begeleiden van buitenschoolse activiteiten, door in te spelen op de interesses van leerlingen en door buitenschoolse contexten toe te passen in het formele leren. Bij het leggen van een verbinding tussen schools en buitenschools leren moeten leerkrachten er voor waken het onderwijs ‘op te leuken’ en het buitenschoolse leren te ‘verschoolsen’.
Leerlingen leren spellen op verschillende manieren. Twee mogelijke hulpstappen zijn een woord eerst fonetisch opschrijven en dan de juiste regel toepassen, of het opschrijven van de spellingregel. Beide hulpstappen bevatten effectieve componenten: werken aan regelkennis en spellingbewustzijn. Het letterlijk weergeven van tekens van de klankstructuur, maakt voor leerlingen de toepassing van de spellingregels inzichtelijk. Of die werkwijze een meer of minder effectieve hulpstap is dan het opschrijven van de spellingregels, is niet bekend.
Onderzoekend en ontwerpend leren zijn actieve manieren van leren, waarbij vooral combinaties van leerkracht- en leerlingsturing effectief lijken. Leerkrachten zouden zich moeten richten op metacognitieve vaardigheden, sociale aspecten en conceptuele aspecten. Belangrijk is verder dat leerkrachten helder communiceren wat ze van leerlingen verwachten. Leerkrachten laten voorbeeldgedrag zien en werken samen met collega’s om onderzoekend en ontwerpend leren vorm te geven.
Leerkrachten kunnen rapportcijfers, intelligentietests, observaties en gesprekken met betrokkenen gebruiken om vast te stellen welke leerlingen in aanmerking komen voor versnellen of verrijken. Het is daarbij belangrijk om meerdere van deze informatiebronnen te gebruiken. Dan krijgen zoveel mogelijk leerlingen de kans om te mogen versnellen en verrijken, en worden er geen leerlingen over het hoofd gezien.
Bij onderwijsachterstanden is er een verschil in prestaties met een vergelijkbare groep. Leerlingen met een ongunstige thuissituatie bijvoorbeeld hebben een grotere kans op een onderwijsachterstand. Bij leervertraging gaat het over de gevolgen van de scholensluiting tijdens de coronapandemie. Het betreft dan de percentuele vertraging in leergroei van de leerlingen in vergelijking met de leergroei van leerlingen in het jaar voorafgaand aan de scholensluiting.
Er is niet één aanpak waardoor (zeer) zwakke basisscholen zich ontwikkelen naar ‘goed’ of ‘excellent’. Een combinatie van aanpakken lijkt het beste, maar welke combinatie is afhankelijk van de schoolcontext en de reeds gerealiseerde schoolontwikkeling. Voor veel (zeer) zwakke basisscholen bestaat zo’n combinatie in elk geval uit het verbeteren van het didactisch handelen van leerkrachten, het systematisch monitoren van leerresultaten en het ontwikkelen van onderwijskundig leiderschap.
Om onderpresteren, gebrek aan motivatie of probleemgedrag te voorkomen moeten leerlingen met begaafdheidskenmerken al van jongs af aan een passend onderwijsaanbod krijgen. Lesmethodes en werkvormen die compacten en verrijken hebben een positief effect op motivatie, welbevinden en gedrag. Als dit onvoldoende werkt, kan versnelling uitkomst bieden of het organiseren van onderwijs in plusklassen. Daarnaast zijn er specifieke aanpakken voor het stimuleren van executieve functies en sociaal-emotionele vaardigheden.