Project-based learning (PBL) is een didactisch model dat georganiseerd is rond projecten, waarin leerlingen actief en relatief autonoom kennis verwerven en construeren. Om PBL succesvol uit te voeren, is een aantal docentstrategieën van belang, zoals timemanagement, klassenmanagement en het monitoren en evalueren van het werk van leerlingen. Formatieve toetsing en peer- en zelfevaluatie nemen een belangrijke plaats in bij de beoordeling.
Lang niet alle handelingsadviezen van externe deskundigen worden door leerkrachten ook echt opgevolgd. Handelingsadviezen worden opgevolgd als 1) de kwaliteit goed is en 2) de leerkracht er ook ‘echt’ mee wil werken. Deze twee elementen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De kwaliteit is goed als de handelingsadviezen aansluiten bij de praktijk, en bruikbaar en uitvoerbaar zijn voor de leerkracht. Het is cruciaal dat de leerkracht wordt betrokken bij de advisering. Adviezen die in samenwerking of co-creatie tot stand zijn gekomen, werken beter. Ook van invloed zijn leerkrachtfactoren, zoals de bereidheid van leraren om te leren, hun zelfvertrouwen, werkervaring en kennis. In alle situaties maken leerkrachten persoonlijk een afweging of het gegeven advies voor hen, in hun situatie de gevraagde tijd en energie waard is.
NT2-onderwijs aan leerlingen in het s(b)o vraagt niet per se om een andere aanpak of aangepaste doelstellingen. S(b)o leerlingen zijn net als leerlingen in het regulier onderwijs in staat om een tweede taal te verwerven, indien er randvoorwaarden zijn, zoals extra tijd en herhaling. Daarbij is het belangrijk dat leerkrachten expertise opdoen of bundelen in het aanleren van een tweede taal en kennis nemen van de culturele achtergrond van de leerling.
Digitaal lesmateriaal biedt voordelen voor leerlingen met ADHD of ASS, omdat het structurerend is en voorspelbaar. Daardoor helpt het lesmateriaal deze kinderen om te gaan met beperkt ontwikkelde executieve functies. Bovendien heeft digitaal lesmateriaal met game-elementen een positieve invloed op de motivatie. Dat executieve functies ook verbeteren door het gebruik van digitaal lesmateriaal, is niet aangetoond. Met dat doel zijn er speciale trainingsprogramma’s ontwikkeld: Cogmed en Braingame Brian. Deze trainingen hebben voor kinderen met ADHD een positieve invloed op verschillende executieve functies, zowel op de korte als de middellange termijn. Voor kinderen met ASS is de effectiviteit niet aangetoond. Onderzoek naar de invloed van digitaal lesmateriaal op sociale competenties is niet aangetroffen.
Zorgleerlingen in het basisonderwijs scoren op rekenen/wiskunde, woordenschat en technisch en begrijpend lezen lager dan leerlingen in het basisonderwijs zonder ondersteuningsbehoefte en hoger dan de leerlingen in het speciaal basisonderwijs (sbo). Zorgleerlingen lopen deze achterstand niet in; de geboekte leerwinst tussen negen en twaalf jaar is voor de drie groepen vergelijkbaar. Met twee uitzonderingen: bij technisch lezen ontwikkelen leerlingen in het sbo zich sneller dan de andere twee groepen, bij begrijpend lezen blijft de leerwinst bij zorgleerlingen in het basisonderwijs wat achter.
Vo-scholen streven steeds vaker een meer continue verbetercultuur na en willen zich tot een lerende organisatie ontwikkelen. Of kwaliteitsbeleid bijdraagt aan het lerend vermogen van een school of de ontwikkeling naar een lerende organisatie, is niet bekend. Scholen melden zelf andere elementen dan kwaliteitsbeleid die daarvoor belangrijk zijn, bijvoorbeeld goede samenwerking tussen management en werkvloer, de mogelijkheid om zich gezamenlijk te ontwikkelen en een duidelijk plan voor die ontwikkeling.
Creativiteit is een combinatie van divergent denken (het vermogen om met veel verschillende ideeën te komen) en convergent denken (tot een toepasbare probleemoplossing komen). Er zijn verscheidene pedagogisch-didactische aanpakken en materialen ontwikkeld, gericht op het bevorderen van creatief denken. Er is nog niet empirisch vastgesteld op welke wijze het onderwijs effectief kan bijdragen aan de ontwikkeling van creativiteit en welke didactische aanpakken daarbij de beste zijn.
Materiaal voor vmbo-leerlingen moet vooral passend zijn, niet makkelijk. Passend materiaal voldoet aan een aantal kenmerken, zoals zinnen die bestaan uit signaalwoorden en teksten die expliciet op de leerstof focussen. Dit helpt de leerlingen en versterkt hun motivatie. Weinig of lage verwachtingen van leerlingen hebben, kan zeker onderpresteren veroorzaken. Docenten kunnen leerlingen beter laten presteren door te focussen op voortgang en door een gunstig pedagogisch klimaat te scheppen. Juist op het vmbo vraagt dat vakbekwaamheid van docenten. De verwachtingen van leerlingen zelf spelen ook een rol bij onderpresteren. Soms is het zelfvertrouwen zo slecht dat niet inspannen en dus falen de voorkeur heeft boven falen na inspanning.
Er is geen direct bewijs voor de relatie tussen groepscohesie of sociale verbondenheid in een klas en voortijdig schoolverlaten. Groepscohesie is echter te zien als een aspect van verbondenheid met school en school- en klasklimaat, en het belang daarvan is wél aangetoond. Studenten die zich verbonden voelen met de school en een goede relatie hebben met docenten en medestudenten, hebben minder kans om voortijdig de school te verlaten. Werken aan groepscohesie in de klas zou dus invloed kunnen hebben op voortijdig schoolverlaten.
Dans kan helpen het alfabet te leren en er is enig bewijs dat dansen bijdraagt aan de ontwikkeling van visueel-ruimtelijke vaardigheden. Er zijn geen effecten van danseducatie op sociaal-emotionele vaardigheden bekend. Hoe een school kunsteducatie vormgeeft, is van groot belang voor leereffecten op andere terreinen, zoals het vergroten van sociaal-emotionele vaardigheden. De inhoud van de kunstvakken is minder van belang. Integratie van kunstonderwijs leidt, met name op lange termijn, tot betere kennisverwerving. De stof kan namelijk worden herhaald, maar net op een andere manier. Bijvoorbeeld door informatie te verwerken via tekenen of door historische gebeurtenissen na te spelen. Daardoor beklijft het beter.