Is er een relatie tussen kwaliteitsbeleid van scholen voor voortgezet onderwijs en hun lerend vermogen?

Vo-scholen streven steeds vaker een meer continue verbetercultuur na en willen zich tot een lerende organisatie ontwikkelen. Of kwaliteitsbeleid bijdraagt aan het lerend vermogen van een school of de ontwikkeling naar een lerende organisatie, is niet bekend. Scholen melden zelf andere elementen dan kwaliteitsbeleid die daarvoor belangrijk zijn, bijvoorbeeld goede samenwerking tussen management en werkvloer, de mogelijkheid om zich gezamenlijk te ontwikkelen en een duidelijk plan voor die ontwikkeling.

Gepubliceerd:

Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag. 

Vo-scholen streven steeds vaker een meer continue verbetercultuur na en willen zich tot een lerende organisatie ontwikkelen. Of kwaliteitsbeleid bijdraagt aan het lerend vermogen van een school of de ontwikkeling naar een lerende organisatie, is niet bekend. Scholen melden zelf andere elementen dan kwaliteitsbeleid die daarvoor belangrijk zijn, bijvoorbeeld goede samenwerking tussen management en werkvloer, de mogelijkheid om zich gezamenlijk te ontwikkelen en een duidelijk plan voor die ontwikkeling. 

De veronderstelling van de vragensteller is dat kwaliteitsbeleid het lerend vermogen van de organisatie versterkt. Dat lerend vermogen zou vo-scholen kunnen helpen om in te spelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Dat zou weer kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs.

Het ‘lerend vermogen’ is nauw verwant aan het begrip ‘lerende organisatie’. Een lerende organisatie gebruikt de denkkracht en betrokkenheid van alle werknemers om de organisatie te verbeteren. Een lerende organisatie probeert bewust de processen en daarmee producten of diensten te verbeteren op basis van nieuwe inzichten.

Leren

Veel van de literatuur over lerende organisaties (in onderwijscontext) grijpt terug op de vijf elementen (disciplines) van Senge uit de jaren negentig van de vorige eeuw. Die vijf elementen zouden essentieel zijn om organisaties daadwerkelijk te kunnen laten leren:

  • persoonlijke bekwaamheid – eigen visies en persoonlijke ontwikkeling van werknemers
  • mentale modellen – (onbewuste) veronderstellingen, beelden, patronen over hoe werknemers de werkelijkheid ervaren
  • gedeelde visie – wat werknemers in hun organisatie willen voortbrengen en bereiken
  • leren als team – het belang van interactie en dialoog tussen teamleden om te kunnen samenwerken en samen te kunnen leren van en met elkaar
  • systeemdenken – het besef dat allerlei zaken die in een organisatie plaatsvinden, niet los staan van elkaar maar onderling samenhangen en elkaar beïnvloeden

Een school als lerende organisatie zou dus hoog moeten scoren op deze vijf elementen. Empirisch onderzoek waarin scholen langs een ‘meetlat van lerende organisaties’ worden gelegd, is niet aangetroffen. Ook is er geen meetinstrument voor ‘lerend vermogen’ of ‘lerende organisaties’ in het onderwijs ontwikkeld. Mogelijke reden daarvoor is dat het concept lerende organisatie bedoeld is om organisaties handvatten voor verandering/beweging te geven en niet om organisaties te beschrijven of processen in organisaties te verklaren. Of een kwaliteitszorgsysteem of een actief kwaliteitsbeleid bijdraagt aan het ontwikkelen tot een lerende organisatie kan dan ook niet worden bevestigd.

Professionele leergemeenschap

In de literatuur wordt sinds 2000 vaker gesproken over ‘professionele leergemeenschap’ dan over lerende organisatie. Bij professionele leergemeenschappen gaat het ook om het leren van een organisatie te bevorderen. Door gezamenlijk te werken aan verbetering en te kijken naar manieren om kennis te delen. De elementen ‘gedeelde visie’ en ‘team leren’ maken dus ook onderdeel uit van de professionele leergemeenschap.

Verbetercultuur

In het ondersteuningsprogramma School aan Zet komt de term ‘lerende organisatie’ weer aan de orde. De overgrote meerderheid van de deelnemende scholen gaf aan dat ze zich wilden ontwikkelen naar een lerende organisatie, met daarin aandacht voor een continue verbetercultuur. Uit casestudies onder 12 vo-scholen bleek dat de vier van de vijf disciplines van Senge op deze scholen zijn terug te vinden: visie, mentale modellen, professioneel meesterschap en teamleren. Op deze scholen bleek een kwaliteitssysteem geen voorwaarde om zich te ontwikkelen naar een lerende organisatie. Deze scholen benoemen zelf andere relevante voorwaarden:

- een structuur die de mogelijkheid geeft om gezamenlijk te ontwikkelen, die gefaciliteerd wordt door het management
- een bijbehorend duidelijk plan voor de ontwikkeling
- een groep mensen die het initiatief neemt
- de tijd die nodig is om te kunnen experimenteren, waarbij acties worden ondernomen en ook zaken mogen misgaan
- voorbeeldgedrag van management/initiatiefnemers
- goede samenwerking tussen management en werkvloer
- collectieve wens om te verbeteren
- doelgericht en cyclisch werken, via bijvoorbeeld een pdca-cyclus (Plan Do Check Act).

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Gerelateerde antwoorden van de Kennisrotonde:

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Sjerp van der Ploeg (kennismakelaar Kennisrotonde).


Ga je het antwoord gebruiken in het onderwijs?
Wat vind je van de leesbaarheid van het antwoord?

Privacyverklaring

Wij gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens. Lees hierover meer in onze privacyverklaring.

Gerelateerde vragen

    Verticaal alignment betekent verbinding en afstemming tussen verschillende organisatieniveaus in het onderwijs, denk aan schoolbestuur, schoolleiding, teams en docenten. Verticaal alignment is geen doel op zich, maar een manier om iedereen zo met elkaar te verbinden dat ze vanuit hun eigen rol kunnen (samen)werken aan gemeenschappelijk doelen. Om deze verbinding te realiseren helpt het om onderwijsdoelen af te stemmen, te zorgen voor wisselwerking over en weer, en afspraken te maken over verantwoordelijkheden en beslissingsbevoegdheden.

    Lees meer

    Middenmanagers in het voortgezet onderwijs krijgen een steeds grotere rol in de ontwikkeling van hun school als lerende organisatie. Hoe zij positieve invloed kunnen uitoefenen op de leercultuur en de ontwikkeling van een lerende organisatie is nauwelijks wetenschappelijk onderzocht. Wel kunnen we uit onderzoek afleiden dat middenmanagers leerprocessen op school positief kunnen beïnvloeden als zij professionele leergemeenschappen bouwen waar leraren samen onderzoeken en ontwikkelen. Ook spelen zij een belangrijke rol bij het creëren van draagvlak voor vernieuwingen. Middenmanagers blijken nogal eens te verschillen in hun communicatie met docenten. Daardoor zijn niet alle docenten even goed op de hoogte van zaken die te maken hebben met de professionele leercultuur. 

    Lees meer