De inzet van leesstrategieën lijkt in zijn algemeenheid een positief effect op het leesbegrip van leerlingen te hebben. Maar het is niet duidelijk welke leesstrategieën het beste werken bij welke leerlingen en in welke omstandigheden. Het is zelfs zo dat resultaten op gestandaardiseerde toetsen zeer kleine effecten of geen effect laten zien. Mogelijk vinden leerlingen het lastig om de transfer van geoefende strategieën naar toetsing te maken. Betrouwbare uitspraken over welke leesstrategieën effectief kunnen zijn om specifiek de Engelse leesvaardigheid op het vmbo te verbeteren, zijn niet te doen.
Tutorprogramma’s om leesproblemen te voorkomen zijn het effectiefst als ze vroeg starten. Leerlingen die in groep 1/2 starten met een tutorprogramma verbeteren hun voorbereidende leesvaardigheden. Ook hebben zij vanaf groep 3 minder vaak leesbegeleiding nodig en scoren zij aan het eind van groep 3 en daarna gemiddeld beter op leesvaardigheden. Tutoring vanaf groep 1/2 is met name effectief als er wekelijks veel sessies zijn en als de nadruk ligt op fonologisch bewustzijn.
De vorm van aanvulaantekeningen heeft waarschijnlijk invloed op hoe goed leerlingen de stof verwerken als ze aantekeningen maken. Het is echter niet duidelijk welke vorm wanneer het meest geschikt is voor leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het lijkt uit te maken hoe complex de informatie is die leerlingen moeten leren en welke vaardigheden ze moeten gebruiken. Het meest geschikt voor complexe informatie is een matrix of een andere vorm waarin relaties tussen onderwerpen worden gelegd. Zo’n ordenende vorm zorgt ook voor betere leerresultaten bij leerlingen die moeite hebben om zelf informatie te structureren.
Wanneer het taalonderwijs gebruikmaakt van de inhoud van andere vakken, heeft dat een groot, positief effect op de tweedetaalontwikkeling van studenten, zo blijkt uit internationaal onderzoek. Of dit vakgerichte taalonderwijs net zo effectief is voor de ontwikkeling van het Nederlands als eerste taal van vmbo-leerlingen is niet zeker.
Hoe ouder basisschoolleerlingen zijn, hoe beter ze in staat zijn individueel geconcentreerd te werken. Er is echter geen onderbouwde vuistregel om hoeveel minuten dat bij verschillende leeftijden zou moeten zijn. Behalve leeftijd zijn ook andere factoren van invloed op hoe lang basisschoolleerlingen van verschillende leeftijden individueel geconcentreerd kunnen werken. Het gaat onder meer om de moeilijkheidsgraad van de taak, op welke manier de leerling omgaat met afleiding en het gevoel van welbevinden in de klas.
Leerlingen met een midden- of hogere sociaal-economische status en gesteund door hun ouders, lopen minder risico op uitval in het mbo. Realistische verwachtingen over de opleiding en toekomstige beroepen vergroten de kans op een goede studievoortgang. Aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding in het voortgezet onderwijs helpt leerlingen om weloverwogen studiekeuzes te maken. De inzet van registratiesystemen voor vroegsignalering kunnen mogelijk uitval voorkomen. Dat zijn factoren die bijdragen aan een succesvolle aansluiting vmbo-mbo en intrede in het mbo. Specifiek onderzoek naar de overstap van havo naar mbo ontbreekt.
Over de effectiviteit van kinderfysiotherapie voor betere motorische ontwikkeling van jonge kinderen is weinig bekend. Over de effectiviteit van ergotherapie voor betere motorische ontwikkeling van jonge kinderen weten we dat het afhangt van de samenwerking tussen school, ouders en (zorg)professionals. En van de aansluiting bij theoretische principes en een variatie aan speelse en betekenisvolle activiteiten. Hoewel ergotherapie een wat bredere insteek heeft, gelden deze aspecten mogelijk ook voor kinderfysiotherapie.
Rollenspellen lijken zowel voor studenten die meespelen als voor medestudenten die observeren bij te dragen aan hun zelfvertrouwen om lastige gesprekken te voeren. Niet onderzocht is of studenten ook feitelijk hun gespreksvaardigheden ontwikkelen. Of er een verschil is tussen rollenspellen met medestudenten of met een opgeleide trainingsacteur is onduidelijk.
Wanneer leerlingen in het praktijkonderwijs problemen hebben met technisch lezen, kan gelijktijdig luisteren naar de tekst het begrip van de te lezen tekst vergroten. Dit blijkt voor zowel narratieve als informatieve teksten het geval te zijn. Bij goede lezers is luisteren tijdens het lezen alleen voordelig voor het tekstbegrip als zij geen invloed hebben op het lees- en luistertempo. In de lespraktijk bepalen de leerlingen echter zelf het leestempo.
De volgende vier meetinstrumenten zijn betrouwbaar en valide om het welbevinden van vmbo-leerlingen te monitoren: Mental Health Continuum-Short Form, Kidscreen-27, de SchoolVragenLijst en de Cantril-ladder. De eerste drie instrumenten meten meerdere dimensies van welbevinden en geven daardoor rijkere informatie. Nadeel is dat ze meer tijd kosten om af te nemen. Verder verschillen de instrumenten in de leeftijdsgroep waarvoor ze het geschiktst zijn.