Effectieve activerende didactiek heeft een aantal algemene kenmerken die niet specifiek aan een onderwijssector gebonden zijn, maar daar uiteraard wel een eigen invulling moeten krijgen. Specifiek voor het mbo is de grote diversiteit in de studentenpopulatie, waardoor differentiëren belangrijk maar ook heel lastig is. Aan de andere kant biedt het mbo vanwege het beroepsgerichte karakter ook specifieke kansen voor activerende didactiek, die studenten helpt om hun beroepskennis, beroepsmatig handelen en een initiële beroepsidentiteit te ontwikkelen.
Gezelschapsspelletjes spelen kan een positief effect hebben op woordenschat, spreekvaardigheid en grammatica. Dat blijkt uit een aantal kleinschalige onderzoeken in het buitenland, veelal studies naar tweedetaalverwerving. Vergelijkingen met reguliere taallessen ontbreken. Of leerlingen in Nederland in de bovenbouw van het primair onderwijs hogere taalprestaties kunnen behalen door het spelen van gezelschapsspelletjes dan via reguliere taallessen is dus niet bekend.
Vakinhoudelijke en vakdidactische expertise van docenten hebben een positief effect op de voortgang van het leerproces van studenten. Of er verschillen zijn in taalvaardigheid van studenten die les krijgen van docenten met NT1-expertise of van docenten met NT2-expertise is niet bekend. Daar is geen onderzoek naar gedaan. Het verschil in focus tussen wat er nodig is in een NT1- en NT2-klas maakt het echter aannemelijk dat specifieke expertise over lagere orde-vaardigheden en het taalverwervingsproces bevorderlijk is voor de taalverwerving van NT2-studenten.
Door recente aanscherpingen van de regelgeving rondom de vrijwillige ouderbijdrage heeft een deel van de basisscholen het aanbod aan extra-curriculaire activiteiten afgeslankt. Dit kan er op wijzen dat scholen bezuinigen op vieringen en uitstapjes voor leerlingen als ze de vrijwillige ouderbijdrage afschaffen.
In een klas met leerlingen met externaliserend probleemgedrag lijkt de kans groter dat klasgenoten lagere leerresultaten halen voor rekenen en taal. Dit komt mogelijk doordat leraren meer tijd nodig hebben voor klassenmanagement, wat dan ten koste gaat van de effectieve leertijd. Of andere leerlingen nemen het externaliserend gedrag over, waardoor ze minder goed gaan presteren. Er is echter meer onderzoek nodig om beter zicht te krijgen op het effect van externaliserend gedrag en verklaringen hiervoor.
Het is niet bekend of een schoolbreed beloningssysteem een positief effect heeft op de gedragsontwikkeling bij leerlingen. Algemene schoolbrede aanpakken voor gedrag bieden wel aanknopingspunten voor te verwachten effecten. Dergelijke aanpakken lijken positief uit te werken op het gedrag en welbevinden van leerlingen; positiever dan wanneer leerkrachten verschillende aanpakken inzetten. Duidelijkheid en voorspelbaarheid van een uniforme aanpak geeft leerlingen een gevoel van controle, wat een belangrijke factor is voor mentale gezondheid en welbevinden. Leerkrachten voelen zich bij een schoolbrede aanpak competenter in omgaan met probleemgedrag van leerlingen.
Het is (nog) niet bekend welke didactische aanpak bij de inzet van AI-schrijftools, zoals ChatGPT en Copilot, effectief is voor de ontwikkeling van de schrijfvaardigheid van mbo-studenten. AI-schrijftools zijn zo nieuw, dat er nog geen grootschalige effectstudies zijn uitgevoerd. Bovendien komen er regelmatig nieuwere, verbeterde versies van de tools beschikbaar. Waar wel voldoende kennis over is zijn de eigenschappen van AI-schrijftools en de mogelijke consequenties daarvan in het onderwijs. Deze kennis zou logischerwijs onderdeel moeten zijn van het didactisch repertoire van docenten en de competenties van studenten.
Een rijke taal- en woordenomgeving ondersteunt de ontwikkeling van de woordenschat en woordkennis van leerlingen. Een schoolbibliotheek inrichten draagt daar al aan bij. Verder kan de school een talige omgeving creëren door vakoverstijgend woordenschatonderwijs aan te bieden door dit te integreren in alle schoolvakken. Een effectieve manier om expliciet woordenschatonderwijs vorm te geven, is het viertaktmodel. Dat model onderscheidt vier fasen, te weten kennismaking met het nieuwe woord, betekenis geven, herhalen en controleren. Voor elk van deze fasen zijn effectieve didactische principes en werkvormen bekend.
Hoewel verschillende kenmerken van startende leraren relevant lijken voor de vormgeving van hun begeleiding, is het niet goed te zeggen voor wie nou precies welk arrangement het meest geschikt is. Maatwerk in overleg met starters lijkt het beste, waarbij het belangrijk is dat de begeleiding breed en doelgericht is. Bij zij-instromers is het belangrijk om collegiaal contact te stimuleren en relevante expertise uit hun eerdere loopbaan actief te waarderen.
Studenten die beoordeeld worden aan de hand van een woordschaal (zoals ‘onvoldoende’ of ‘goed’) lijken even hard te werken als studenten die beoordeeld worden aan de hand van cijfers. Zij zijn even vaak aanwezig bij studieactiviteiten en besteden evenveel tijd aan hun studie. Wel zijn er aanwijzingen dat beoordelen met woorden andere aspecten van het studeergedrag positief beïnvloedt. Maar op studieresultaten is er geen effect; studenten die worden beoordeeld met woorden halen vergelijkbare studieresultaten als studenten die cijfers krijgen.