Schoolwelbevinden van leerlingen in het voortgezet onderwijs hangt nauwelijks samen met schoolgrootte. Belangrijker zijn factoren als de dagelijks door hen ervaren schoolomgeving, de pedagogisch-didactische aanpak en inspraakmogelijkheden. Wel blijkt dat leerlingen op grote scholen zich wat veiliger voelen. Verder zijn er aannames dat vmbo-leerlingen gebaat zijn bij een kleinere school en vwo-leerlingen bij een grotere school.
In het voortgezet onderwijs heeft klassenverkleining op zich geen sterke invloed op leerprestaties. Een kleine klas biedt wel voordelen die leraren kunnen benutten. Ze kunnen bijvoorbeeld instructie en feedback beter afstemmen op de individuele leerlingen. Gevarieerd, uitdagend onderwijs en goed georganiseerd samenwerkend leren hebben wel een positief effect op leerprestaties en dat is in een kleine klas beter te realiseren. Dat geldt ook voor scaffolding, een leerstrategie waarbij leerlingen zelfstandig nadenken en stapsgewijze instructie krijgen, passend bij hun ontwikkelingsniveau.
Visuele educatieve hulpmiddelen en geheugensteuntjes, zoals spellingregels, kunnen alleen effectief zijn als de informatie in lijn is met de instructie door de leerkracht. En er moet tijdens de les specifiek aandacht aan worden besteed. Als de spellingregels ook tijdens de rekenles zichtbaar zijn, dan vormen ze een potentiële bron voor afleiding. In klassen met veel decoraties en versieringen zijn leerlingen vaker afgeleid en behalen ze lagere toetsresultaten dan leerlingen in klassen met minder visuele hulpmiddelen.
Een positief schoolklimaat heeft invloed op de aanwezigheid van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het gevoel van veiligheid en verbondenheid, de relatie tussen docenten en leerlingen en de relaties tussen leerlingen onderling: die elementen blijken belangrijk. Het bevorderen van een positief schoolklimaat kan bijdragen aan meer aanwezigheid van leerlingen. Voorwaarde is wel dat alle docenten zich ervoor willen inzetten en de school er voortdurend aandacht voor heeft.
De invloed van thematisch werken op de ontwikkeling van kleuters is afhankelijk van twee factoren. Een samenhangend geheel van doelen, inhouden en activiteiten. En het pedagogisch en didactisch handelen van de leerkracht waarmee zij of hij het leren en de ontwikkeling van de kleuters actief ondersteunt en begeleidt.
Leerkrachten die een nieuwe taalmethode willen, moeten op verschillende criteria letten. Een methode die bijdraagt aan de taalontwikkeling van leerlingen integreert de verschillende taalvaardigheden en biedt meerdere taalstrategieën aan. Verder zijn algemene kenmerken voor effectief onderwijs van belang bij de keuze van een nieuwe taalmethode. Dat zijn expliciete en doelgerichte instructie, leerlingen volgen en evalueren, maatwerk bieden en rekening houden met het werkgeheugen van leerlingen.
Vier voorwaarden lijken voor een succesvolle pedagogisch-didactische aanpak van het verkeersonderwijs te kunnen zorgen. Een combinatie van theorie en praktijk maakt verkeersonderwijs effectief, zodat basisschoolleerlingen veiliger gedrag vertonen op de weg. Daarnaast is ervaring opdoen in de praktijk belangrijk. Het betrekken van leerlingen bij het ontwikkelen van het programma draagt bij aan de effectiviteit. Ten slotte lijkt het belangrijk dat leerlingen professionele begeleiding krijgen in een kleine groep.
Het directe instructie-model is een zeer effectieve werkwijze bij onderwijs in taal, rekenen en zaakvakken. Dit geldt ook voor het onderwijs aan de jongste leerlingen. Directe instructie-programma’s voor beginnende geletterdheid en beginnende gecijferdheid hebben een positieve invloed op de ontwikkeling van leerlingen. Deze is enkele jaren later nog meetbaar. Begeleid spel is eveneens zeer belangrijk voor de ontwikkeling van jonge leerlingen, zeker in combinatie met directe instructie.
Leerkrachten kunnen leerlingen op verschillende manieren stimuleren om buiten school te leren. Dat kan door het begeleiden van buitenschoolse activiteiten, door in te spelen op de interesses van leerlingen en door buitenschoolse contexten toe te passen in het formele leren. Bij het leggen van een verbinding tussen schools en buitenschools leren moeten leerkrachten er voor waken het onderwijs ‘op te leuken’ en het buitenschoolse leren te ‘verschoolsen’.
Het gebruik van metaforen zoals de leerkuil, lijkt een geschikte manier om het proces van leren aan leerlingen in het basisonderwijs uit te leggen. Metaforen maken het leerproces inzichtelijk. Het leerproces voor leerlingen visualiseren, draagt bij aan het kunnen doorlopen en volbrengen van een leerproces dat resulteert in diepgaand leren. De leerkracht moet dan tevens duidelijkheid bieden over leerintenties en leerdoelen, op zowel de taak als op het vergroten van de veerkracht van leerlingen.