Kortstondig contact met een rolmodel vergroot op de korte termijn de interesse van leerlingen in techniek, maar over langetermijneffecten is weinig bekend. Rolmodellen lijken ook invloed te hebben op de studiekeuze van leerlingen, met name wanneer leerlingen vlak voor een studiekeuze staan. Onduidelijk is of deze positieve effecten veroorzaakt worden doordat leerlingen zich identificeren met het rolmodel of dat de wijze waarop het rolmodel zich presenteert de doorslag geeft.
Begeleiders in hybride leeromgevingen in het mbo moeten kunnen wisselen tussen rollen gericht op leren en rollen gericht op werken. Hiervoor zijn communicatie- en samenwerkingsvaardigheden belangrijk. Nabijheid en frequent contact met collega’s dragen hieraan bij. Ook kunnen begeleiders verschillende begeleidingsstrategieën gebruiken, variërend van richten (competentieontwikkeling voor een goed resultaat) tot empoweren (ondersteunen van het leerproces). Het schaarse onderzoek naar begeleiding in hybride leeromgevingen geeft slechts aanwijzingen voor mogelijk behulpzame begeleiding.
Om de overdracht van kennis naar toepassingssituaties te vergroten, kunnen docenten de instructie zo aanpassen dat studenten de overeenkomsten zien tussen het geleerde en de toepassingscontext. Docenten kunnen de leercontext en de toepassingscontext ook dichter bij elkaar brengen door bijvoorbeeld werkplekleren of door simulaties in te zetten.
Rollenspellen lijken zowel voor studenten die meespelen als voor medestudenten die observeren bij te dragen aan hun zelfvertrouwen om lastige gesprekken te voeren. Niet onderzocht is of studenten ook feitelijk hun gespreksvaardigheden ontwikkelen. Of er een verschil is tussen rollenspellen met medestudenten of met een opgeleide trainingsacteur is onduidelijk.
Werkbegeleiders moeten oog hebben voor wat een student nodig heeft en welke werk- en leersituaties in de organisatie daarin kunnen voorzien. Verder moeten ze leerprocessen uitlokken, studenten begeleiden en hun ontwikkeling beoordelen. Ook is van belang dat ze de kwaliteit van het werk en het leerproces in balans houden. Het is niet duidelijk of werkbegeleiders zelf actief moeten zijn in het werk waarvoor ze studenten opleiden. Het is wel gebruikelijk dat werkbegeleiders recente werkervaring hebben.
Een succesvolle reflectie op praktijkervaringen begint met een goede voorbereiding op school. Daarnaast moet er op de werkplek gelegenheid zijn om te reflecteren en moeten begeleiders toegerust zijn om studenten daarbij te ondersteunen. Het is belangrijk dat de doelstellingen van de reflectie duidelijk zijn voor studenten en begeleiders. Voorbeeldgedrag en reflectieve vragen van begeleiders zetten studenten aan om te leren reflecteren. Het helpt om de reflectie te structureren aan de hand van een vaste set vragen.
Extra instructietijd kan een positieve invloed hebben op leerprestaties, vooral voor kansarmere groepen. Aanvullende activiteiten voor sport en cultuur of aandacht voor persoonlijke ontwikkeling lijken geen leerwinst op te leveren. Extra schooltijd betekent dan ook niet automatisch dat leerlingen meer leren. Scholen die een verrijkte schooldag willen invoeren, doen er goed aan mogelijke voor- en nadelen af te wegen en na te gaan of een verlengde schooldag het juiste middel is om de beoogde doelen te behalen.
Werken en studeren in een bedrijfsschool gebeurt meestal in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Er zijn geen harde cijfers over het aantal bedrijfsscholen en de deelname daaraan. Daardoor is onduidelijk of de deelname aan de bbl in bedrijfsscholen ten koste gaat van het aantal studenten in beroepsopleidende leerweg (bol). Wel blijkt deelname aan bbl- en bol-opleidingen conjunctuurgevoelig. Bij economische groei neemt het aantal bbl-plaatsen en -studenten toe; bij economische krimp zijn bol-opleidingen meer in trek.
Studenten gaan steeds vaker voor korte tijd – minder dan acht weken – naar het buitenland. Buitenlandervaring, zowel kort- als langdurend, lijkt positieve effecten te hebben. Dan gaat het om culturele en persoonlijke ontwikkeling en om kansen op de arbeidsmarkt. Deze resultaten zijn echter onzeker, omdat het onderzoek naar de impact van buitenlandervaring tekortkomingen kent. Hierdoor is onduidelijk wanneer welke effecten zich in welke mate bij welke studenten voordoen.
De belangrijkste belemmeringen voor studenten om buitenlandervaring op te doen, zijn de financiering en sociale banden. Positieve ervaringen van medestudenten of docenten stimuleren studenten om naar het buitenland te gaan. Persoonlijke kenmerken van mbo-studenten, zoals taalvaardigheid, vertrouwen in eigen kunnen, eerdere buitenlandervaring en studierichting beïnvloeden eveneens een eventueel buitenlands avontuur. Verder speelt de kwaliteit van het onderwijs of de stage op de locatie een rol.