Kleuters bereiken leerdoelen in kleine tussenstappen en tonen hun vaardigheden tijdens het werken en spelen. Om de ontwikkeling van kleuters te volgen is het daarom belangrijk dat de leerkracht kleuters observeert tijdens hun dagelijkse activiteiten op school. Welke vaardigheden leerkrachten daarvoor nodig hebben, is niet bekend. Daar is geen onderzoek naar gedaan; ook niet bij leerlingen van andere leeftijden in het primair onderwijs.
Geactualiseerd: oktober 2024
Steunlessen zijn een vorm van re-teaching: het herhalen van essentiële elementen uit het klassikale aanbod aan leerlingen die dit nodig hebben. Verondersteld wordt dat re-teaching werkt als aan drie voorwaarden wordt voldaan. 1) gebruik van andere instructiemethoden dan tijdens de initiële les. 2) het maakt onderdeel uit van het reguliere onderwijsaanbod en 3) Dat leerlingen de mogelijkheid krijgen om te laten zien dat ze na re-teaching dezelfde stof beheersen als hun klasgenoten.
Voor het begeleiden van de doorstroom van studenten in het beroepsonderwijs zijn een professionele dialoog in het docententeam en een goede dialoog tussen docent en student van belang. Kenmerkend voor de professionele dialoog zijn aandacht voor vaste richtlijnen en niveaus van beoordeling, versterking van pedagogisch leiderschap en vergroting van pedagogische kennis. Procesmatige feedback van docenten lijkt ervoor te zorgen dat studenten een beroepsidentiteit verkrijgen en dat hun beroepsontwikkeling wordt bevorderd, hetgeen de doorstroom ten goede komt.
Geactualiseerd: 8 februari 2023
Positieve effecten van klassenverkleining op leerprestaties zijn voornamelijk gevonden bij leerlingen op de basisschool en bij leerlingen uit gezinnen met een laag inkomen. Voor zover effecten op prestaties zijn aangetoond in het voortgezet onderwijs, zijn die erg klein. Positieve effecten van klassenverkleining op gedrag, actieve betrokkenheid en welbevinden van leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn niet aangetroffen.
Probleemgedrag onder kinderen kan de gedragsontwikkeling belemmeren. Onder meer gezinsproblematiek, zoals relatieproblemen tussen ouders, scheiding en verschillende opvoedingsstijlen, kan dat probleemgedrag versterken. Een goede hechting tussen ouder en kind, en een sterke betrokkenheid van de ouder bij het kind lijken het probleemgedrag tegen te gaan. Verder kunnen de sociaal-economische status, en de faciliteiten en ondersteuning in de klas van invloed zijn op probleemgedrag onder kinderen.
De ouderversie van de SDQ, een screeningsvragenlijst voor psychosociale problematiek, geeft mogelijk een vertekend beeld van het psychosociale functioneren bij kinderen van ouders met een migratieachtergrond. Waar de totaalscore een betrouwbaar signaal van eventuele psychosociale problemen laat zien, doen scores op de subschalen dat mogelijk niet. Daarnaast spelen onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal door ouders met een migratieachtergrond en de beperkte culturele diversiteit van de SDQ een rol.
Kinderen zijn op vierjarige leeftijd welkom op de basisschool; vanaf 5 jaar zijn ze leerplichtig. In het onderwijsbeleid wordt veel belang gehecht aan een soepele overgang van de voorschoolse periode naar de basisschool. De start op de basisschool verloopt echter niet voor alle kleuters optimaal. In drie delen hieronder staan aanpakken beschreven die zo’n soepeler overgang proberen te bewerkstelligen.
Leerkrachten kunnen rapportcijfers, intelligentietests, observaties en gesprekken met betrokkenen gebruiken om vast te stellen welke leerlingen in aanmerking komen voor versnellen of verrijken. Het is daarbij belangrijk om meerdere van deze informatiebronnen te gebruiken. Dan krijgen zoveel mogelijk leerlingen de kans om te mogen versnellen en verrijken, en worden er geen leerlingen over het hoofd gezien.
Bij onderwijsachterstanden is er een verschil in prestaties met een vergelijkbare groep. Leerlingen met een ongunstige thuissituatie bijvoorbeeld hebben een grotere kans op een onderwijsachterstand. Bij leervertraging gaat het over de gevolgen van de scholensluiting tijdens de coronapandemie. Het betreft dan de percentuele vertraging in leergroei van de leerlingen in vergelijking met de leergroei van leerlingen in het jaar voorafgaand aan de scholensluiting.
Er zijn wat aanwijzingen dat een langere duur van de relatie tussen een vaste LOB-begeleider en mbo-studenten een positief effect heeft op welbevinden, motivatie en studieresultaten van studenten. Vergelijkend onderzoek hiernaar ontbreekt echter. Het is dus niet bekend of een vaste LOB-begeleider gedurende de opleiding een gunstiger effect heeft dan een jaarlijks wisselende begeleider.