Er zijn diverse praktijkvoorbeelden van dit soort interventies. Daaruit komen een aantal vermoedelijk werkzame elementen voort. Zo kan aandacht voor sociale en academische binding en goede aansluiting tussen studenten en begeleiders helpen het aantal langstudeerders te verminderen. Dat geldt ook voor studenten het gevoel geven dat ze ertoe doen, en deelname aan activiteiten verplichten.
Hoewel er weinig onderzoek is gedaan naar de beoordeling van prestaties in de kunstvakken, is wel aangetoond dat een formatieve evaluatie een valide instrument is om het leerproces en het eindproduct te beoordelen. En dus op summatieve wijze in te zetten. Met rubrics kunnen leraren goed prestaties meten en beoordelen bij disciplines als dans, muziek, theater en beeldende kunst, maar er zijn ook andere manieren om dit te doen.
Gezelschapsspelletjes met basisschoolleerlingen spelen, kan een positief effect hebben op de ontwikkeling van inhibitie en cognitieve flexibiliteit. Voor jonge leerlingen lijkt het meer effect te hebben op inhibitie, voor oudere leerlingen meer op cognitieve flexibiliteit. De juiste moeilijkheidsgraad – en die continu aanpassen – is belangrijk voor cognitieve flexibiliteit. Verder lijkt het erop dat ongedwongen spelverloop, waarbij leerlingen spelen voor hun plezier, meer bijdraagt aan de ontwikkeling van beide executieve functies.
Als leerlingen tijdens de schoollunch activiteiten uitvoeren die veel aandacht vragen, zoals tv-kijken, een computerspelletje spelen of een smartphone gebruiken, dan lopen zij het risico ‘gedachteloos’ te eten. De smaakbeleving en het verzadigingsgevoel worden dan niet goed waargenomen. Ook slaan leerlingen geen precieze herinnering op aan het eten, waardoor ze sneller weer een hongergevoel krijgen. Ze eten daardoor mogelijk tijdens de lunch en na schooltijd meer dan ze eigenlijk nodig hebben.
Geactualiseerd: oktober 2024
Kopklassen hebben een positief effect op de onderwijskansen van leerlingen. Kinderen die na groep 8 een jaar extra taalonderwijs krijgen voordat ze naar de brugklas gaan, stromen vaker door naar een hoger onderwijsniveau. Ook de vmbo-tussenklas pakt positief uit. Ongeveer 85 procent van de leerlingen die anders naar het speciaal- of praktijkonderwijs zouden gaan, kan door naar het regulier vmbo-onderwijs (basis- of kader). Onderzoek naar effecten van tussenklassen zoals Groep 9, of Tienercollege, is niet bekend.
Bij jonge leerlingen bevordert het inzetten van de moedertaal de woordenschat in de tweede taal. Het is waarschijnlijk dat dit ook geldt voor oudere leerlingen. Want, als woorden uit verschillende talen met elkaar verbonden worden in de hersenen, verwerkt de persoon deze woorden efficiënter en leert hij of zij de woorden makkelijker. Wanneer leerlingen hun moedertaal in de klas mogen gebruiken, bevordert dit het leren van het Nederlands en het begrip van de lesstof van andere vakken.
Taken die sterk lijken op de trainingstaken worden doorgaans beter uitgevoerd na de training. Hoe meer de taken op elkaar lijken, hoe groter het effect is. Werkgeheugentrainingen hebben weinig tot geen effect op andere soorten taken; leerprestaties verbeteren niet. Taal- en rekenvaardigheden nemen niet toe, en intelligentie en aandachtspanne evenmin. Deze uitkomsten gelden voor alle groepen die gebruikmaken van werkgeheugentrainingen en dus ook voor leerlingen met een beperkt(er) werkgeheugen.
Schoolwelbevinden van leerlingen in het voortgezet onderwijs hangt nauwelijks samen met schoolgrootte. Belangrijker zijn factoren als de dagelijks door hen ervaren schoolomgeving, de pedagogisch-didactische aanpak en inspraakmogelijkheden. Wel blijkt dat leerlingen op grote scholen zich wat veiliger voelen. Verder zijn er aannames dat vmbo-leerlingen gebaat zijn bij een kleinere school en vwo-leerlingen bij een grotere school.
Werkbegeleiders moeten oog hebben voor wat een student nodig heeft en welke werk- en leersituaties in de organisatie daarin kunnen voorzien. Verder moeten ze leerprocessen uitlokken, studenten begeleiden en hun ontwikkeling beoordelen. Ook is van belang dat ze de kwaliteit van het werk en het leerproces in balans houden. Het is niet duidelijk of werkbegeleiders zelf actief moeten zijn in het werk waarvoor ze studenten opleiden. Het is wel gebruikelijk dat werkbegeleiders recente werkervaring hebben.
Verschillende factoren dragen bij aan een voor leerlingen succesvolle overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Belangrijk is dat leerlingen zich thuis voelen op de middelbare school. Daarnaast gaat het om werken aan relaties tussen leerlingen en leraren en aandacht hebben voor relaties tussen leerlingen onderling. Maar ook een doorlopende pedagogisch-didactische lijn uitzetten en ouders bij het proces betrekken.