Leraren in het basisonderwijs willen graag ook voor kunstvakken een eindoordeel in een cijfer uitdrukken. De vraag is welke onderdelen van het kunstvak en de eindprestatie je kunt toetsen, waarop een cijfer gebaseerd zou moeten zijn en welke normeringswijze je kunt hanteren. Er is weinig onderzoek gedaan naar assessment in de kunstvakken, maar onderzoek laat wel zien dat een formatief assessment bruikbaar kan zijn voor deze vakken.
Principes van een goed assessment
Voor een goede uitvoering van een formatief assessment zijn verschillende algemeen geldende principes belangrijk. Het gaat om deze tien principes:
- validiteit (meten wat is onderwezen, gerelateerd aan educatieve doelen en uitkomsten)
- betrouwbaarheid
- begrijpelijkheid voor de leerling
- verscheidenheid (een variatie aan methoden en tools)
- verantwoording (de rechten en plichten van leerlingen)
- eerlijkheid (voorkomen van vooroordelen)
- duurzaamheid (voortdurend kunnen uitvoeren)
- uitgebreidheid (op verschillende manieren laten zien wat leerlingen geleerd hebben)
- diagnostische capaciteit (informeren over prestaties en ontwikkeling)
- kansen geven om te leren
Onderzoek onder leerlingen van diverse schooltypen laat zien dat zij bij kunstvakken als dans, muziek, theater en beeldende kunst beter presteren als zij van te voren bekend zijn met de criteria van een formatief assessment. Van belang hierbij is dat de leraar duidelijk maakt wat de leerdoelen en de criteria zijn om het vak succesvol af te ronden en promoot dat de leerlingen zelf instructie kunnen geven aan peers en zichzelf. Verder blijkt dat leerlingen meetbaar vooruitgaan als ze weten wat ertoe doet. Feedback van hun docenten en peers zijn belangrijk. Ook moeten leerlingen mogelijkheden krijgen om hun kunstzinnige werk aan te passen. De succescriteria van de prestaties zijn beoordeeld op basis van checklists en rubrics (tabellen met beschrijvingen van niveaus van beheersing, bijvoorbeeld beginner, gevorderde, expert) of van de kwaliteit van een product of een taak.
Verschillende beoordelingsinstrumenten
Leraren beoordelen kunsteducatie in het basis- of voortgezet onderwijs in de disciplines muziek, beeldend, dans en drama op verschillende manieren. Denk aan een uiting in het artistiek medium, mondelinge of schriftelijke vragen, houding of gedrag zonder een specifieke taak, een portfolio, een combinatietaak of logboek. Om het leerproces en eindproduct bij een kunstvak te beoordelen, gebruiken zij de volgende instrumenten (opgesomd van meest naar minst voorkomend):
- criteria
- rubrics
- zelfrapportage
- commentaar
- jury
- software
- anker (voorbeelden van werkstukken geplaatst op een beoordelingsschaal)
Rubrics om prestaties te meten
Er is geen onderzoek gedaan naar welke van deze instrumenten het beste is. Maar met een portfolio assessment gebaseerd op rubrics kan het expressieve resultaat van de leerling in kaart worden gebracht, zo blijkt uit onderzoek in het primair en voortgezet onderwijs. Voor een goed ontwerp van de rubrics is het belangrijk om:
- een sterke link te leggen tussen de eisen van de uitoefening van de specifieke kunst en de gehanteerde criteria;
- zo veel mogelijk observeerbare aspecten van de uitvoering of het object aan te geven;
- duidelijke taal te gebruiken, zodat leerlingen de resultaten van het assessment begrijpen.
Voorbeeld rubrics voor kunstdisciplines
In het volledige rapport bij dit antwoord is een voorbeeld te zien van reeds ontwikkelde rubrics voor de disciplines dans, muziek, theater en beeldende kunst waarop een assessment gerealiseerd is. Zowel voor het basis- als voortgezet onderwijs is per kunstdiscipline op basis van nationale standaarden en competenties een indeling gemaakt voor meetbare eenheden voor een basisniveau, vakkundig niveau en (ver)gevorderd niveau voor drie specifieke leeftijdscategorieën van leerlingen.
De basis van de rubrics vormen de beoordelingscriteria gelinkt aan competenties, zoals uitvoeren, creëren, reageren en reflecteren.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Maurice de Greef (kennismakelaar Kennisrotonde).