Cumulatief toetsen zorgt voor een betere beheersing van de lesstof. Dat komt doordat kennis die leerlingen vaker moeten activeren, beter in het geheugen wordt opgeslagen. De herhaling, en niet zozeer de stapeling van lesstof, zorgt voor het effect. Ook op de langere termijn – na anderhalf jaar – blijkt dat leerlingen de kennis die cumulatief is getoetst makkelijker uit het geheugen ophalen. Makkelijker dan kennis via losse toetsen.
Voor toetsresultaten maakt het niet uit of de reken- of spellingopgaven in groep 3 digitaal of op papier worden gepresenteerd. Ook verschilt de toetsscore op een digitale toets niet wanneer er digitaal of op papier wordt geoefend. Leerlingen die op papier reken- en spellinginstructie krijgen, kunnen zonder problemen digitale toetsen maken. Het omgekeerde geldt ook: na digitale instructie kan er net zo goed op papier als digitaal worden getoetst. Leerlingen in groep 3 hebben voldoende ICT-vaardigheden om toetsen digitaal te maken.
Het is aannemelijk dat de betrouwbaarheid en validiteit van portfolio’s sterk afhankelijk zijn van de manier waarop opleidingen ze samenstellen en beoordelen. Opleidingen kunnen de betrouwbaarheid en validiteit versterken. Bijvoorbeeld door te werken met portfolio’s die een mix aan opdrachten en taken bevatten en door meerdere getrainde professionals de portfolio’s op eenduidige criteria te laten beoordelen. Dit blijkt uit onderzoek in het hoger onderwijs. In het mbo is weinig onderzoek naar portfoliomethodiek gedaan.
De voornaamste verschillen tussen het havo- en vwo-curriculum zitten in de hoeveelheid stof en het tempo waarin de stof wordt behandeld. Daarnaast doet het vwo meer een beroep op de cognitieve niveaus ‘transfergerichte toepassingen’ en ‘inzicht’. Op het havo ligt het accent meer op ‘onthouden’ en ‘trainingsgerichte toepassing’. Bij toetsing, om te bepalen of leerlingen meer geschikt zijn voor havo of voor vwo, is het van belang om zowel naar de totaalscore te kijken, als naar de afzonderlijke scores op onderliggende cognitieve niveaus.
Nederlandse leerlingen blijken internationaal gezien niet sterk gemotiveerd om te leren, maar scoren evenmin over de gehele linie slecht. Of lage toetsresultaten of leerprestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs het gevolg zijn van motivatiegebrek, is niet duidelijk. Het versterken van de motivatie om te leren bij vo-leerlingen is vermoedelijk geen effectieve strategie om leerprestaties te verbeteren. Daar is namelijk weinig empirisch bewijs voor.
Onderzoek naar kenmerken van het leren van vmbo-leerlingen in de verschillende leerwegen is bijna niet gedaan. Wel weten we dat vmbo’ers meestal minder talig en zelfstandig zijn dan havisten en vwo’ers en dat ze een negatiever zelfbeeld hebben. Tegelijkertijd zijn ze meer praktisch gericht en hebben ze een beter inlevingsvermogen. Het is belangrijk om vmbo’ers een realistische en afwisselende leeromgeving te bieden en hen motivatiestrategieën aan te leren.
Door formatieve toetsing krijgt de leerkracht zicht op waar NT2-leerlingen staan en wat zij nodig hebben in hun leerproces. De leerkracht kan het niveau van de leerlingen in kaart brengen door middel van opgaven, gesprekken en observaties. Vervolgens moet de leerkracht de leerlingen passende ondersteuning bieden. Bij talige rekenopgaven zijn feedback en scaffolding effectieve strategieën om leerlingen met onvoldoende taalkennis te ondersteunen.
Non-verbale intelligentietests zijn de geschiktste intelligentietests voor vluchtelingenkinderen, vanwege hun taalachterstand. Maar ook deze tests hebben hun beperkingen. Ze zijn namelijk niet cultuur-neutraal en niet volledig non-verbaal. Kwalitatieve gegevens kunnen, in aanvulling op intelligentietests, helpen om leerproblemen en onderwijsbehoeften van vluchtelingenkinderen beter te beoordelen.
Geactualiseerd: 19 januari 2025
Er is weinig bekend over de effecten van herkansingen op het leergedrag en de leerresultaten in het voortgezet onderwijs. Onderzoek in het hoger onderwijs wijst uit dat studenten afzonderlijke toetsen minder goed voorbereiden als er veel herkansingsmogelijkheden zijn, maar ook dat de kans toeneemt dat ze een toets uiteindelijk met een voldoende afsluiten. Het moment van herkansen, de voorwaarden en de manier waarop ze meetellen voor het eindcijfer zijn daarop van invloed. Omdat deze effecten verschillen per student, is het lastig om algemene uitspraken te doen.
Als leerlingen ook met schriftelijke toetsvormen oefenen, worden ze beter voorbereid op schriftelijke toetsen en examens. De resultaten daarvan zijn tevens een betere afspiegeling van de vaardigheden die de betreffende toets beoogt te meten. Wanneer leerlingen dus ervaring opbouwen met schriftelijke toetsvormen, naast bijvoorbeeld werkstukken en presentaties, draagt dat bij aan een goede voorbereiding op schriftelijke examens.