Onderzoekend en ontwerpend leren zijn actieve manieren van leren, waarbij vooral combinaties van leerkracht- en leerlingsturing effectief lijken. Leerkrachten zouden zich moeten richten op metacognitieve vaardigheden, sociale aspecten en conceptuele aspecten. Belangrijk is verder dat leerkrachten helder communiceren wat ze van leerlingen verwachten. Leerkrachten laten voorbeeldgedrag zien en werken samen met collega’s om onderzoekend en ontwerpend leren vorm te geven.
Of volwassenen met een zwakke beheersing van de (moeder)taal ook problemen hebben met beheersing van executieve functies is niet bekend. Onderzoek op dit gebied is schaars, evenals onderzoek naar de relatie met de leeromgeving. Wel weten we dat bij jongvolwassen studenten er een samenhang is tussen taalontwikkeling en de ontwikkeling van executieve functies. Achtergrondkenmerken, de leeromgeving of het leerproces kunnen die samenhang versterken.
Vwo-leerlingen kunnen onderzoekende competenties ontwikkelen door onderzoeksopdrachten uit te voeren die een geleidelijke opbouw hebben. Een onderzoeksleerlijn die de samenhang tussen verschillende vakken creëert, geeft docenten en leerlingen houvast. Belangrijk is wel dat alle betrokken docenten er eenduidige instructies over geven en expliciet de fasen van een onderzoek bespreken. Leerlingen ontwikkelen hun onderzoekende houding beter als zij kunnen werken aan een vraagstuk dat hen interesseert en waarbij zij al doende nieuwe kennis opdoen. Belangrijk is dat de docent hun structuur, passende opdrachten en begeleiding biedt.
Er is weinig wetenschappelijke steun voor positieve effecten van mindsetinterventies in het onderwijs. Veel onderzoeken hebben onvoldoende kwaliteit of er zijn geen effecten gevonden. Als er wel effecten zijn, dan is dat vooral bij specifieke groepen. Bij jonge kinderen hebben mindsetinterventies soms positieve resultaten. Bij oudere kinderen en studenten is er weinig tot geen effect, en soms zelfs een negatief resultaat.
Het is aannemelijk dat keuzevrijheid en samenwerking effectieve elementen zijn in een training gericht op executieve functies van leerlingen van twaalf tot zestien jaar. Er is echter weinig tot geen direct bewijs voor. Een training van keuzevrijheid en ruimte voor samenwerking kan mogelijk bijdragen aan intrinsieke motivatie en welbevinden van leerlingen. Er bestaat een verband tussen deze laatste factoren en executieve functies. Leraren die autonomie van leerlingen ondersteunen, hebben leerlingen met sterkere executieve functies. Of het gaat om een oorzakelijk verband is niet bekend. Dat is wel duidelijk bij peer mentoring. De mentorleerling kan direct bijdragen aan het toepassen van strategieën voor executieve functies door de leerling die hij begeleidt.
Onderwijs in informatievaardigheden is goed mogelijk, ook bij leerlingen in het basisonderwijs. Daarbij gaat het om het benoemen van vragen en problemen, en om het zoeken, vinden, kritisch analyseren en verwerken van verschillende bronnen. Een effectieve manier om informatievaardigheden te verwerven is stapsgewijs oefenen. Kijken naar leerkrachten die een systematische aanpak voordoen en toelichten, helpt leerlingen eveneens. Van belang is steeds kritisch te reflecteren op de aanpak en de opbrengsten. Daarbij kan een zogenoemd proceswerkblad ondersteuning bieden.
Vrij snel starten met samen onderzoek doen, stimuleert de ontwikkeling van een onderzoekende houding bij studenten. Een voorwaarde is wel dat zij eerst de bedoelingen van hun onderwijs en hun eigen rol daarbinnen verkend hebben. Verder moet de onderzoeksopdracht aansluiten bij de beroepspraktijk en beknopt zijn. De docent vervult een voorbeeldrol en geeft ‘een onderzoekende houding’ expliciet aandacht in zijn colleges. Er is geen bewijs gevonden dat het zin heeft studenten eerst een theoretische basis te laten verwerven.
Van deelname aan de vakwedstrijden wordt verondersteld dat deze tot meer motivatie en enthousiasme van de deelnemende studenten leiden. Bovendien zouden ze bijdragen aan groei in vakmanschap, trots en zelfvertrouwen. Relevant onderzoek naar de effecten van die vakwedstrijden om dit te kunnen bevestigen, ontbreekt echter. Ook is niet duidelijk wat de bijdrage van de vakwedstrijden is aan de kwaliteitsontwikkeling van het beroepsonderwijs.
Vitamines en mineralen zoals ijzer, jodium, zink, en vitamine B en D spelen een belangrijke rol in de werking van ons lichaam, waaronder onze hersenen. Tekorten kunnen leiden tot een lagere IQ-score, slechtere werking van het geheugen, verminderd verbaal en non-verbaal leren. Ook kan een tekort depressie, aandachtsvermindering en verlaagde informatieverwerkingssnelheid tot gevolg hebben, zeker ook bij jongeren. Als jongeren met tekorten ijzer of jodium bijslikken, kan dit hun cognitieve functioneren verbeteren. Er zijn aanwijzingen dat supplementen met (bepaalde) vitamines B de cognitie ook kunnen verbeteren, maar in welke combinatie is niet eenduidig. Er is geen bewijs dat supplementen met vitamine D en magnesium de cognitieve prestaties verbeteren van gezonde mensen.
Het is belangrijk het bevorderen van onderzoeksvaardigheden te koppelen aan vakinhoud. Variëren in de hoeveelheid sturing die de docent geeft, lijkt daarbij het meest effectief. Bijvoorbeeld door expliciete instructie af te wisselen met een klassikale discussie. Daarbij dient de docent te focussen op zowel de onderzoeksvaardigheden, als de wijze van samenwerking, als de vakspecifieke kennis. De wijze van beoordelen van onderzoeksvaardigheden hangt sterk af van de gestelde doelen en de gekozen didactische aanpak.