Leerlingen hebben structuur en begeleiding nodig om hun onderzoekende competenties te kunnen ontwikkelen en om stapsgewijs zelfstandig een onderzoeksproces te kunnen doorlopen. Een open vorm van onderzoek doen is meer geschikt voor jonge, onervaren leerlingen uit de bovenbouw van de basisschool. Hierin gaan leerlingen zelf vragen stellen en op onderzoek uit. Als leerlingen meer ervaren raken met onderzoek doen, is een gerichte en specifieke begeleiding van docenten nodig, afhankelijk van het niveau van de leerling en zijn opvatting over onderzoek.
Docenten kunnen gericht werken aan de onderzoekende competenties van leerlingen. Het gaat om drie onderdelen: versterken van onderzoeksvaardigheden, een onderzoekende houding en kennis en opvattingen over onderzoek.
Onderzoeksvaardigheden verbeteren
Jonge leerlingen die regelmatig oefenen met onderzoek doen verbeteren geleidelijk hun onderzoeksvaardigheden. Ze moeten dat wel onderhouden anders krijgen ze een terugval. Iets leren onderzoeken doet een beroep op een combinatie van vakoverstijgende vaardigheden, zoals relateren, analyseren, kritisch verwerken, oriënteren, toetsen, reflecteren, motiveren, concentreren en nieuwsgierig zijn.
Onderzoekende houding stimuleren
Een onderzoekende houding betekent nieuwsgierig en kritisch zijn, willen begrijpen, bereid zijn tot perspectiefwisseling, afstand nemen van routines en willen delen met anderen. Docenten kunnen dat stimuleren door leerlingen te laten samenwerken aan een onderzoeksvraagstuk dat hen zelf interesseert en door hen voortdurend te confronteren met hun leerproces. Wat ook helpt is leerlingen zelf nieuwe kennis te laten zoeken in plaats van dit van te voren aan te reiken.
Kennis en opvattingen over onderzoek
Leerlingen krijgen geen eenduidig beeld van onderzoek als ieder schoolvak zijn eigen opvatting uitdraagt. Bij bètavakken, zoals natuur- en scheikunde, ligt de nadruk op practica en experimenten uitvoeren, terwijl alfa- en gammavakken meer focussen op bronnenonderzoek en presenteren. Leerlingen kunnen een beperkte kijk op onderzoek krijgen als ze denken dat onderzoek doen alleen het volgen van een ‘kookboekinstructie’ is. Het begrip over het onderzoek zelf of achterliggende ideeën ontbreekt dan. Om dit te voorkomen kunnen docenten leerlingen laten reflecteren op resultaten uit onderzoeken naar hetzelfde onderwerp maar met verschillende gehanteerde onderzoeksmethoden. Ook helpt het om leerlingen te laten reflecteren op de opeenvolging van onderzoekfasen, zodat zij daar een scherper beeld van krijgen.
Onderzoeksleerlijn geeft meer samenhang
Een onderzoeksleerlijn is een goede manier om samenhang te creëren tussen vakken. Daarvoor moeten docenten goed met elkaar afstemmen, zowel binnen een vak (verticale leerlijn van brugklas tot eindexamenjaar) als tussen vakken. Docenten kunnen daarbij veel van elkaar leren. Als zij bijvoorbeeld elkaars onderzoeksopdrachten beoordelen, leidt dat tot meer creatieve, theoretisch relevante en praktische onderzoeksactiviteiten. Het invoeren van een onderzoeksleerlijn is veelomvattend en kost tijd. Onderzoekers geven de volgende aanbevelingen:
- Maak van tevoren goede afspraken over facilitering (geld en tijd)
- Ga pas van start als je voldoende steun ervaart vanuit de schoolleiding
- Zoek steun bij collega’s (persoonlijk contact of in formeel overleg)
- Zorg voor een betekenisvolle onderzoeksleerlijn voor docenten en leerlingen
- Zorg voor stapsgewijze invoering, begin met een pilot en bouw dan verder
- Houd de innovatie breed onder de aandacht
Belangrijk voor de leerlingen is in ieder geval dat alle docenten een eenduidige instructie geven bij onderzoeksopdrachten waarbij zij expliciet de fasen van de onderzoekscyclus bespreken.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Wouter Schenke (Kennismakelaar Kennisrotonde).