Dit is de tekst: Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag.
Het mbo heeft wettelijk gezien een drievoudige kwalificeringsopdracht: vakmanschap, burgerschap en doorstroom naar het vervolgonderwijs. Van studenten in het mbo wordt in toenemende mate een onderzoekende houding verwacht. Het gaat dan met name om een onderzoekende houding ten aanzien van hun opleiding en toekomstige werkveld, maar ook ten opzichte van de samenleving in het algemeen en hun rol als burger.
Mbo-studenten die doorstromen naar het hbo hebben moeite met onderzoeksvaardigheden. Onderzoek heeft de afgelopen jaren een grotere rol gekregen in het hbo. De proactieve en onderzoekende houding die daarbij belangrijk is, missen sommige doorstromers uit het mbo.
Onderzoek doen: kennis, vaardigheden en houding
Vaak wordt een onderscheid gemaakt tussen kennis hebben over het doen van onderzoek (cognitief aspect), het beheersen van onderzoeksvaardigheden (gedragsaspect) en het hebben van een onderzoekende houding (affectief aspect). In de wetenschappelijke literatuur is geen informatie gevonden over welke onderzoeksvaardigheden studenten in het mbo zouden moeten beheersen. Hierover vinden we wel informatie in de beschrijving van eindkwalificaties van het mbo.
De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) ontwikkelt en onderhoudt de kwalificatiedossiers waarin beschreven staat wat mbo-studenten moeten kennen en kunnen aan het eind van hun opleiding. Om zich voor te bereiden op het hbo moeten mbo-studenten over de volgende vaardigheden beschikken:
- een onderzoeksplanning maken, deze nakomen en zo nodig aanpassen
- informatie op internet zoeken en verwerken
- teksten kritisch lezen en leren
- samen of alleen onderzoek doen volgens richtlijnen of een protocol
- gegevens verwerken in tabellen en diagrammen
- werken met formules in een matrixprogramma
- conclusies trekken
- onderzoeksresultaten presenteren en beschrijven in een verslag
- reflecteren op de resultaten en de eigen rol
Onderzoeksvaardigheden bevorderen
Er is weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar het bevorderen van onderzoeksvaardigheden bij mbo-studenten. Onderzoek dat gedaan is, focust zich vooral op de relatie tussen onderzoekend leren en leerresultaten. Bij onderzoekend leren staan kennis en vaardigheden op het gebied van onderzoek doen centraal.
Wanneer het doel is om expliciet onderzoeksvaardigheden aan te leren, is het zinvol om dit te koppelen aan vakinhoud. Variëren in de hoeveelheid sturing die de docent geeft, lijkt het meest effectief. Bijvoorbeeld door expliciete instructie af te wisselen met een klassikale discussie. Hierbij dienen docenten studenten zelf het onderwerp te laten kiezen, hen aan te zetten tot vragen stellen, zelf geen antwoorden te geven en nieuwsgierig voorbeeldgedrag te tonen. De docent focust daarbij op zowel de onderzoeksvaardigheden, als de wijze van samenwerking, als de vakspecifieke kennis.
Beoordelen en meten
De beoordelingscriteria hangen af van de doelen die gesteld zijn en van de gehanteerde didactische aanpak. Bij een meer docentgestuurde, stapsgewijze instructie past een beoordeling per stap. Bij een meer open-ended aanpak, waarbij de student veel keuzevrijheid heeft, past meer een beoordeling van het onderzoek als geheel. Afhankelijk van de gestelde doelen kunnen de studenten beoordeeld worden op onderzoeksvaardigheden, de wijze van samenwerking, en/of vakspecifieke kennis. Belangrijk daarbij is dat de student vooraf weet hoe en waarop hij beoordeeld wordt.
Onderzoeksvaardigheden van studenten kunnen het best worden gemeten door (indien van toepassing) laboratoriumexperimenten en mondelinge presentaties. Hierdoor krijgt de student namelijk de kans om uit te leggen wat hij gedaan heeft en om te demonstreren dat het onderwerp begrepen is.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Lisette Uiterwijk en Femke Timmermans (kennismakelaars Kennisrotonde).