Executieve functies zijn cruciaal voor mentale en fysieke gezondheid, voor succes op school en in het leven, en voor de sociale en psychologische ontwikkeling. Er zijn drie domeinen van executieve functies te onderscheiden. Het eerste is impulsbeheersing, het vermogen om ongepast gedrag of niet-relevante prikkels te onderdrukken. Het tweede domein is werkgeheugen, het vermogen om informatie te onthouden die je nodig hebt om een handeling uit te voeren. Ten slotte cognitieve flexibiliteit, het vlot kunnen aanpassen aan nieuwe situaties of regels, en snel kunnen wisselen van taak.
Mogelijke verbanden tussen keuzevrijheid en executieve functies
Er is geen onderzoek verricht naar interventies onder twaalf- tot zestienjarigen om executieve functies te versterken met keuzevrijheid of autonomie als elementen. Wel is er in het basis- en voortgezet onderwijs een verband aangetoond tussen autonomie-ondersteuning door de leraar en betere prestaties van leerlingen op tests die impulsbeheersing, werkgeheugen en cognitieve flexibiliteit meten. Leraren die hun leerlingen vrij laten in hun werkwijze en het kiezen van taken, hebben leerlingen met sterkere executieve functies dan leraren die dit niet doen. Het is echter niet bekend of er sprake is van een oorzakelijk verband.
Een hoge intrinsieke motivatie (waaraan keuzevrijheid en samenwerking mogelijk kunnen bijdragen) hangt eveneens samen met hogere scores op tests die deze functies meten. Leerlingen die niet vanuit zichzelf gemotiveerd zijn behalen lagere testscores. Ook hier is niet duidelijk of het om een oorzakelijk verband gaat. Het kan zijn dat externe regulatie van leerlingen de ontwikkeling en training van deze functies bemoeilijkt. Een andere verklaring is dat leerlingen met laagontwikkelde executieve functies behoefte hebben aan extern gereguleerde strategieën.
Mogelijke verbanden tussen samenwerking en executieve functies
Er zijn aanwijzingen dat peer mentoring – een mentorleerling helpt een andere leerling – op een directe manier bijdraagt aan versterking van deze functies. Een voorbeeld van zo’n interventie is SMARTS. In deze interventie biedt de leraar de leerlingen strategieën aan voor het toepassen van executieve functies, bijvoorbeeld voor het stellen van doelen, voor cognitieve flexibiliteit en voor het ophalen van informatie uit het werkgeheugen. Deze strategieën kunnen de leerlingen toepassen wanneer zij aan hun schooltaken werken. Daarnaast richt de leraar een peer mentoring-systeem in om leerlingen elkaar te laten helpen om deze strategieën aan te leren en toe te passen.
SMARTS blijkt te werken. Leerlingen die interesse toonden om mentor te worden, kregen een training van vier weken. Daarin oefenden ze voor deze rol door middel van rollenspellen. Vervolgens vond er een koppeling plaats met een medeleerling, op basis van gedeelde interesses en sterke en zwakke punten. Leerlingen die hun mentorrelatie positief beoordeelden, maakten meer gebruik van de strategieën voor het toepassen van executieve functies. Leraren onderschreven de positief beoordeelde mentorrelaties.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Edwin Buijs (kennismakelaar Kennisrotonde).