Mbo-docenten kunnen met enkele instrumenten een betrouwbaar zicht krijgen op de executieve vaardigheden van mbo-studenten: de ESQ-R (voor alle elf executieve vaardigheden van Dawson en Guare, zie hieronder) en de AEFI (voor aandacht, zelfbeheersing en zelfcontrole, planning en initiatief). Deze instrumenten zijn niet specifiek getest in het mbo, maar wel onder vergelijkbare leeftijdsgroepen.
De training van executieve vaardigheden heeft geen (blijvend) effect op taal- en rekenprestaties. Leerlingen worden alleen beter in executieve functies bij de specifieke taken die ze oefenen, of taken die daar sterk op lijken. Ander werk verbetert niet, en ook taal- en rekenprestaties blijven gelijk. Omdat er geen sterk bewijs is dat het trainen van executieve functies werkt, is het beter om leerlingen op andere manieren te ondersteunen in hun leerproces.
Gezelschapsspelletjes met basisschoolleerlingen spelen, kan een positief effect hebben op de ontwikkeling van inhibitie en cognitieve flexibiliteit. Voor jonge leerlingen lijkt het meer effect te hebben op inhibitie, voor oudere leerlingen meer op cognitieve flexibiliteit. De juiste moeilijkheidsgraad – en die continu aanpassen – is belangrijk voor cognitieve flexibiliteit. Verder lijkt het erop dat ongedwongen spelverloop, waarbij leerlingen spelen voor hun plezier, meer bijdraagt aan de ontwikkeling van beide executieve functies.
Of volwassenen met een zwakke beheersing van de (moeder)taal ook problemen hebben met beheersing van executieve functies is niet bekend. Onderzoek op dit gebied is schaars, evenals onderzoek naar de relatie met de leeromgeving. Wel weten we dat bij jongvolwassen studenten er een samenhang is tussen taalontwikkeling en de ontwikkeling van executieve functies. Achtergrondkenmerken, de leeromgeving of het leerproces kunnen die samenhang versterken.
Het is aannemelijk dat keuzevrijheid en samenwerking effectieve elementen zijn in een training gericht op executieve functies van leerlingen van twaalf tot zestien jaar. Er is echter weinig tot geen direct bewijs voor. Een training van keuzevrijheid en ruimte voor samenwerking kan mogelijk bijdragen aan intrinsieke motivatie en welbevinden van leerlingen. Er bestaat een verband tussen deze laatste factoren en executieve functies. Leraren die autonomie van leerlingen ondersteunen, hebben leerlingen met sterkere executieve functies. Of het gaat om een oorzakelijk verband is niet bekend. Dat is wel duidelijk bij peer mentoring. De mentorleerling kan direct bijdragen aan het toepassen van strategieën voor executieve functies door de leerling die hij begeleidt.