Programmeeronderwijs heeft een positief effect op de vaardigheden van leerlingen tot twaalf jaar. Activiteiten waarbij leerlingen zonder computer werken (unplugged), laten gemiddeld de grootste effecten zien. Maar ook visueel programmeren met blokken en tekstueel programmeren zijn effectief. Ondersteuning door de leerkracht blijft essentieel. Jongens en meisjes ontwikkelen programmeervaardigheden over het algemeen even goed.
Welke didactische aanpak mbo-studenten helpt om kantoortoepassingen als Word en Excel te leren gebruiken is niet specifiek onderzocht. Leertheorieën zoals de cognitive load theory en kleinschalige experimenten bieden enige handvatten: begin met eenvoudige software, werk met verhalen die aansluiten bij de leefwereld van studenten en verminder geleidelijk de ondersteuning.
Wanneer mbo-studenten inzicht verwerven in hun mediagedrag, kunnen ze leren verstandig om te gaan met hun smartphone tijdens beroepspraktijkvorming. Andere interventies zijn ze te leren wat de impact is van digitale afleiding en hoe ze die afleiding in verschillende contexten kunnen voorkomen. Het is niet bekend of een smartphoneverbod in de lessen invloed heeft op het gebruik van de smartphone op de leerwerkplek.
Video-instructie is een effectieve manier om basisschoolleerlingen softwarevaardigheden aan te leren. Een goed ontworpen video-instructie is effectiever dan een papieren handleiding. Belangrijke aspecten in het ontwerp zijn signalering en vaste structuren. Oefeningen integreren in een video-instructie lijkt ook goed te werken. Of video-instructie de effectiefste manier is om leerlingen nieuwe software aan te leren, is niet bekend. Daarvoor is er te weinig vergelijkingsonderzoek gedaan met andere didactische aanpakken. Evenmin is bekend of video-instructie bij leerlingen leidt tot zelfstandig kunnen gebruiken van andere software.
Gebruik van smartphones in de klas en op school lijkt niet bij te dragen aan het welbevinden van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Er zijn aanwijzingen dat leerlingen minder direct contact met elkaar hebben, waardoor ze bepaalde communicatievaardigheden minder goed ontwikkelen.
Het aanleren van schoolse en digitale vaardigheden tijdens een alfabetiseringscursus vergroot de zelfredzaamheid van analfabete anderstalige volwassenen. Welke vaardigheden precies cruciaal zijn, is niet duidelijk; daarover zijn geen studies gevonden. Wel is er iets te zeggen over de didactiek. Om schoolse en digitale vaardigheden aan te leren, lijkt het effectief om authentieke leersituaties te creëren die aansluiten bij de leerbehoeftes van cursisten.
Digitale geletterdheid koppelen aan het woordenschatonderwijs ligt niet voor de hand. Er zijn waarschijnlijk efficiëntere manieren om gelijktijdig te werken aan woordenschat en aan digitale geletterdheid. Zo lijkt het kansrijk om informatievaardigheid en mediawijsheid – twee belangrijke onderdelen van digitale geletterdheid – te koppelen aan het lees- en schrijfonderwijs. Er is namelijk een grote mate van overlap tussen de respectieve leerdoelen.
Interactie is belangrijk bij het leren van tweede taal. Vanwege coronamaatregelen is de groepsgrootte echter beperkt. Ook zijn niet alle deelnemers aan volwassenenonderwijs digitaal vaardig genoeg voor online onderwijs. Om hen toch in kleine groepen op anderhalf meter te laten samenwerken aan sociale- en taalvaardigheden, kunnen docenten vier interactieve werkwijzen inzetten: coöperatief leren, Team Based Learning, the Flipped Classroom en Total Physical Response Methode.
Op steeds meer scholen hebben leerlingen een tablet of laptop ter beschikking als hulpmiddel bij het leren. Maar leerlingen zoeken ook afleiding. Vooral bij vrij gebruik van mobiele apparaten gaan ze naar sociale media en sites voor persoonlijke doelen. Lessen waar de docent de technologie gestructureerd inzet, lijken minder bevattelijk voor afleiding. De leerlingen gebruiken de laptop of tablet tijdens de les dan iets vaker voor leertaken.
Scholen voor praktijkonderwijs kunnen het beste digitale vaardigheden aanleren als onderdeel van andere onderwijsactiviteiten. Een specifiek leermiddel is daarom niet nodig. Er zijn nog geen toetsen beschikbaar waarmee scholen de ontwikkeling van de digitale geletterdheid in kaart kunnen brengen. Wel kunnen scholen daarvoor uitwerkingen van digitale geletterdheid van Kennisnet of ICILS als checklist gebruiken.