Vaker kort gymmen lijkt gunstiger dan één lange les per week. Dit komt omdat leerlingen tijdens kortere lessen actiever bewegen. Ook zijn er aanwijzingen dat de spreiding van meerdere lessen over de week beter is voor de motorische ontwikkeling. Leerlingen krijgen dan vaker een nieuwe oefenprikkel. De beschikbare oefentijd moet hierbij wel efficiënt worden benut.
Programmeeronderwijs heeft een positief effect op de vaardigheden van leerlingen tot twaalf jaar. Activiteiten waarbij leerlingen zonder computer werken (unplugged), laten gemiddeld de grootste effecten zien. Maar ook visueel programmeren met blokken en tekstueel programmeren zijn effectief. Ondersteuning door de leerkracht blijft essentieel. Jongens en meisjes ontwikkelen programmeervaardigheden over het algemeen even goed.
Leerlingen leren rekenstof beter wanneer zij die verspreid over de tijd oefenen en herhalen dan wanneer alle oefening en herhaling in één aaneengesloten periode plaatsvindt. Doordat je de stof op verschillende momenten opnieuw traint, versterken leerlingen hun rekenvaardigheden. Dit geldt voor leerlingen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs en voor verschillende reken-wiskundedomeinen. Onderzoek geeft echter geen antwoord op de vraag hoe je rekenleerstof het beste over een heel schooljaar verdeelt.
Creatieve vakken kunnen bijdragen aan meer empathie bij leerlingen. Bij muziek leren leerlingen emoties herkennen, begrijpen en zelf muzikaal uiten. Vooral muziekonderwijs met aandacht voor expressie, cultuur en therapeutische technieken lijkt effectief. Dansonderwijs kan bijdragen aan zowel empathie als tolerantie. Er zijn ook aanwijzingen dat drama empathie kan vergroten, maar hiernaar is minder onderzoek gedaan.
Voor vakkenintegratie in het algemeen is geen overtuigend bewijs gevonden voor positieve óf negatieve effecten op leerprestaties, motivatie of dieper begrip. Het bestaande onderzoek is onvoldoende robuust om generaliserende uitspraken te kunnen doen, of laat onvoldoende duidelijke effecten zien.
Of vrij lezen in een andere taal bijdraagt aan de Nederlandse leesvaardigheid van basisschoolleerlingen, is niet bekend. Wel blijkt uit internationaal onderzoek dat lezen in een tweede taal geen negatief effect heeft op de leesvaardigheid in de eerste taal. Het kan juist bijdragen aan algemene leesvaardigheden. Ook kan de taalkeuze bij vrij lezen de leesmotivatie van leerlingen bevorderen.
De taalontwikkeling van kleuters kun je bevorderen met verschillende pedagogisch-didactische aanpakken. Vooral (interactief) voorlezen en gesprekken stimuleren zijn zinvol. Dat kunnen gesprekken zijn tussen kleuters en volwassenen, zoals de leerkracht, of tussen kleuters onderling. Didactische middelen als praatplaten en digitale prentenboeken kunnen ook positief uitwerken op de taalontwikkeling van kleuters, net als een rijke leercontext van spel en natuur.
Of blokroostering leidt tot betere leerprestaties dan een traditioneel rooster, weten we niet precies. Onderzoek laat wisselende resultaten zien: sommige studies vinden hogere prestaties, andere geen verschillen of juist lagere prestaties. Dit komt mogelijk doordat scholen blokroostering op verschillende manieren invullen. Er zijn aanwijzingen dat sommige groepen leerlingen meer profiteren van een blokrooster. Daarnaast zijn docenten en leerlingen er over het algemeen positief over en zijn er aanwijzingen dat het kan bijdragen aan een beter klassenklimaat.
Er zijn geen effectieve aanpakken bekend om mbo-studenten te leren om vragen te stellen in het onderwijs, zodanig ze dit ook in de beroepspraktijk doen. Het is wel bekend uit onderzoek dat eenvoudige nudges ervoor kunnen zorgen dat studenten die al geneigd zijn vragen te stellen, méér vragen stellen. Studenten die weinig vragen stellen profiteren vooral van een op leren gericht klimaat in de leeromgeving. Ook kun je als docent rekening houden met de moeilijkheden die studenten kunnen ondervinden in de verschillende stadia van het vraagstelproces. Het is aannemelijk dat leeromgevingen die sterk lijken op de beroepspraktijk het makkelijker maken om ook vragen te stellen op de werkplek.
Het is aannemelijk dat alle leerlingen beter presteren op taken waarbij ze steunkaarten gebruiken. Maar om beter te leren lijkt het juist niet effectief om steunkaarten aan alle leerlingen te geven. Steunkaarten zijn waarschijnlijk vooral effectief als je ze inzet als tijdelijke ondersteuning. Je bouwt het gebruik van steunkaarten weer stapsgewijs af zodra leerlingen ze minder of niet meer nodig hebben. Dit blijkt uit onderzoek naar de effecten van hulpmiddelen zoals steunkaarten in het algemeen. Specifiek voor leren lezen en schrijven in groep 3 is dit niet onderzocht.