Een schoolgebouw moet alle leerlingen voldoende bewegingsruimte bieden. Dat geldt voor gangen, klaslokalen, toiletten, trappenhuizen, aula, gymzalen en kleedkamers. Ook dienen er voor iedereen toegankelijke opbergruimten te zijn. Verder hebben leerlingen met een beperking specifieke ruimtes nodig om met maatschappelijk werkers, fysiotherapeuten of verpleegkundigen af te kunnen spreken. Het is raadzaam om leerlingen met verschillende beperkingen te betrekken bij het ontwerpen van scholen voor inclusief onderwijs.
Gebruik van smartphones in de klas en op school lijkt niet bij te dragen aan het welbevinden van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Er zijn aanwijzingen dat leerlingen minder direct contact met elkaar hebben, waardoor ze bepaalde communicatievaardigheden minder goed ontwikkelen.
Kennistoetsen zijn vooralsnog de beste methode om de kenniscomponent van sociale en maatschappelijke competenties van leerlingen te meten. Voor het meten van houdingen kan de leraar leerlingen een reeks stellingen voorleggen. Of, om meer inzicht in hun gedachteprocessen te krijgen, kan de leraar open vragen stellen. Voor het meten van vaardigheden heeft het de voorkeur om leerlingen in authentieke situaties te plaatsen, maar dat kan in de praktijk vaak niet. Vaardigheden worden daarom doorgaans indirect gemeten door leerlingen een zelfinschatting te laten maken.
Hoeveel leerlingen er van locatie wisselen, op welk moment zij dit doen en welke gevolgen dit voor hen heeft, is onbekend. Wel nemen de zorgen toe over de maatschappelijke gevolgen van de trend dat steeds minder onderwijsvormen op dezelfde locatie gevolgd kunnen worden. De vrees bestaat dat de socialiserende functie van het onderwijs hierdoor in het geding komt.
Er zijn kleine aanwijzingen dat role-playing-bordspellen in een onderwijssetting positieve invloed kunnen hebben op de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen tussen 10 en 15 jaar. Het lijkt dan wel van belang om deze bordspellen in te bedden in schoolprogramma’s. De leraar moet het spel in goede banen leiden en een veilige omgeving creëren. Leerlingen kunnen in een nabespreking reflecteren op het spel en verbanden leggen met persoonlijke keuzes en ervaringen.
Vrij gebruik van smartphones, tablets en laptops tijdens de lessen heeft een negatief effect op leerprestaties. Waarschijnlijk is de aandacht die sociale media en berichtenverkeer opeisen daarvan de belangrijkste oorzaak. Leerlingen in het voortgezet onderwijs en mbo-studenten worden te veel afgeleid en kunnen zich niet concentreren op de leertaak. Er zijn aanwijzingen dat vooral lager presterende leerlingen deze negatieve effecten ondervinden. Een verbod op het bezit van smartphones op school kan de concentratie bij leerlingen tijdens de les verbeteren en daarmee hun leerprestaties.
Om leesopvoeding thuis te versterken zijn twee voorwaarden belangrijk. De school moet de leesvaardigheid van leerlingen op peil krijgen en houden door aandacht te geven aan vloeiend lezen. Daarnaast is een aantrekkelijk boekenaanbod van belang. Een positief leesklimaat thuis verhoogt de kans dat een kind met plezier gaat lezen. Vanwege de grote verschillen tussen ouders is maatwerk nodig om hen te betrekken bij leesbevordering. Ook de verschillen tussen leerlingen maken dat noodzakelijk.
Flipping the classroom kan zorgen voor meer gemotiveerde leerlingen doordat deze lesvorm meer interacties in de klas tussen leerlingen en docent met zich meebrengt. Voorwaarde is wel dat leerlingen zich online goed voorbereiden op de les en metacognitieve vaardigheden (zoals plannen) beheersen. Omdat vmbo’ers daar vaak meer moeite mee hebben dan havo- of vwo-leerlingen is het belangrijk om daar rekening mee te houden.
Een positief schoolklimaat heeft invloed op de aanwezigheid van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het gevoel van veiligheid en verbondenheid, de relatie tussen docenten en leerlingen en de relaties tussen leerlingen onderling: die elementen blijken belangrijk. Het bevorderen van een positief schoolklimaat kan bijdragen aan meer aanwezigheid van leerlingen. Voorwaarde is wel dat alle docenten zich ervoor willen inzetten en de school er voortdurend aandacht voor heeft.
Van beloningen is bekend dat ze een positief effect hebben op gedrag. Sommige beloningen verhogen de intrinsieke motivatie, wat een duurzaam effect kan hebben op de sociaal-emotionele vaardigheden en het gedrag van jongeren. Van jongeren met complexe gedragsproblemen is bekend dat ze minder gevoelig zijn voor beloningen. Daardoor is het onzeker of beloningen een duurzaam effect hebben.