Effectieve schoolleiders werken vanuit doelen en verwachtingen, wegen strategisch kosten en baten af, sturen actief op onderwijskwaliteit en op professionalisering, en zorgen voor orde en veiligheid op school. Oog hebben voor onderzoekend werken om het onderwijs te verbeteren, maakt deel uit van dit pakket. Schoolleiders kunnen daaraan bijdragen door onder andere voorbeeldgedrag te tonen en te zorgen voor voldoende tijd voor en begeleiding van het docentteam.
Met steunlessen kun je de reken-wiskundevaardigheden van middelbareschoolleerlingen verbeteren, als je daarbij expliciete instructie geeft gericht op strategieën, meerdere representaties en reken-wiskundetaal. Ook sluit je aan bij de kennishiaten van je leerlingen en bied je de steunlessen voor een langere periode aan. Leerlingen van verschillende leeftijden en leerjaren, en in kleine en grote groepen kunnen zo hun rekenvaardigheden verbeteren.
Wanneer leerlingen coöperatief schrijven, dus in duo’s of kleine groepjes een gedicht of een verhaal schrijven, gaat de kwaliteit van de tekst vooruit. Dit geldt voor leerlingen van groep 3 tot en met groep 8 uit zowel regulier als speciaal basisonderwijs. Wel moet je als leerkracht bij coöperatief schrijven het doel specifiek formuleren en de samenwerking goed (voor)structureren.
Onderzoek naar procedures die leiden tot plaatsing van leerlingen op een niveau dat aansluit bij hun competenties ontbreekt. Beschikbare onderzoeken naar procedures kijken naar andere uitkomsten, zoals objectiviteit van de besluitvorming en acceptatie van het advies door leerlingen en ouders. Mogelijk zijn kenmerken van die procedures te gebruiken voor een passende plaatsing.
Als leerlingen (langdurig) afwezig zijn doordat zij veel stress en angst ervaren rond school, wordt dit ook wel ‘schoolweigering’ genoemd. Het lijkt belangrijk om dit vroeg te signaleren, omdat terugkeren naar school moeilijker wordt naarmate leerlingen langer afwezig zijn. Bij leerlingen die een veilig schoolklimaat en positieve relaties met leraren ervaren, komt schoolweigering minder vaak voor. Pesten en eenzaamheid op school hangen er juist mee samen. Het is daarbij niet altijd duidelijk in hoeverre dit oorzaken of ook deels gevolgen zijn van schoolweigering. Bij interventies gebaseerd op cognitieve gedragstherapie oefenen leerlingen stapsgewijs met situaties die spanning oproepen, zoals naar school gaan. Dit leidt doorgaans tot verbeterde schoolaanwezigheid.
Het is onduidelijk welke effecten kortdurende praktijkgerichte projecten en activiteiten hebben op de interesse en keuze van basisschoolleerlingen voor techniek. Direct na afloop van zo’n activiteit zijn leerlingen meestal meer geïnteresseerd, maar dat lijkt na verloop van tijd af te nemen. Bij Nederlandse middelbare schoolleerlingen kon ook direct na afloop geen effect op techniek-interesse worden vastgesteld. Er zijn aanwijzingen dat bij langer lopende schoolinterventies, en die waar leerlingen zich vrijwillig voor aanmelden, er wel op de langere termijn een verschil in is in interesse én studiekeuze.
Docenten in het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen met ADHD helpen om effectieve leerstrategieën toe te passen, in alle fasen van het leerproces. Door deze leerlingen te begeleiden bij de planning, uitvoering en evaluatie van hun taken, zijn ze beter voorbereid en werken ze taakgerichter en nauwkeuriger. Ook vertonen ze minder storend gedrag. Bovendien zorgt de ondersteuning ervoor dat klasgenoten beter functioneren.
Kortstondig contact met een rolmodel vergroot op de korte termijn de interesse van leerlingen in techniek, maar over langetermijneffecten is weinig bekend. Rolmodellen lijken ook invloed te hebben op de studiekeuze van leerlingen, met name wanneer leerlingen vlak voor een studiekeuze staan. Onduidelijk is of deze positieve effecten veroorzaakt worden doordat leerlingen zich identificeren met het rolmodel of dat de wijze waarop het rolmodel zich presenteert de doorslag geeft.
Een rekenrijke leeromgeving kan zorgen voor meer motivatie, waardering én betere leerresultaten voor rekenen en wiskunde. Maar dat lukt alleen onder bepaalde voorwaarden. De leraar moet voldoende kennis hebben over rekenrijke omgevingen en het proces goed kunnen begeleiden. Van leerlingen vraagt het een open houding en actieve deelname aan de les. Tot slot moet een rekenrijke leeromgeving aansluiten bij het curriculum en het dagelijks leven van de leerlingen.
Leerlingen leren een vreemde taal vloeiender, gevarieerder en creatiever spreken wanneer de nadruk in de onderbouw ligt op interactie en communiceren, zonder expliciete grammatica-instructie en -oefening. Veel gangbare lesmethoden leggen nadruk op grammatica-instructie, terwijl actief en betekenisvol communiceren in de doeltaal effectiever is voor het ontwikkelen van spreekvaardigheid. Grammatica komt daarbij impliciet aan bod. Deze aanpak gaat niet ten koste van de grammaticale vaardigheid van leerlingen. Van docenten vraagt dit een aangepaste manier van lesgeven, zonder houvast van grammatica, die in het begin mogelijk intensiever is.