Een gemengde brugklas lijkt over het algemeen gunstig voor leerlingen die uiteindelijk willen afstuderen in het hoger onderwijs. Daarbij zijn wel verschillen tussen groepen leerlingen: Leerlingen met een vmbo-gl/tl-advies halen na een gemengde brugklas vaker een havo- of vwo-diploma dan na een categorale vmbo-brugklas. Ook studeren ze vaker af in het hoger onderwijs. Voor leerlingen met een havo-advies maakt het voor een diploma in het hoger onderwijs geen verschil of ze beginnen in een brede brugklas of in een havo- of vwo-klas. Wel halen ze na een tweejarige gemengde brugklas vaker een vwo- en hoger onderwijsdiploma dan na een eenjarige gemengde brugklas. Ook leerlingen met een gecombineerd havo-vwo-advies behalen dan vaker een hoger onderwijsdiploma. Leerlingen met een vwo-advies studeren na een gemengde brugklas juist minder vaak af aan de universiteit. Zitten ze toch in een gemengde brugklas, dan lijken ze meer gebaat bij een eenjarige dan bij een tweejarige brugperiode.
De lesobservatie-instrumenten ICALT en CLASS zijn bruikbaar bij de ontwikkeling van het pedagogisch-didactisch handelen van leraren. Deze instrumenten dragen bij aan professionele ontwikkeling, zijn betrouwbaar en valide, en ze brengen verschillende aspecten van leskwaliteit in kaart. Bovendien zijn ze goed beschreven in toegankelijke informatie en voor meerdere leerjaren geschikt.
Regionale sturingsnetwerken ervaren meer impact wanneer zij bestuurlijk vermogen opbouwen. Onderling vertrouwen, een gedeelde visie en goede informatie-uitwisseling helpen deelnemers om belangen te bespreken, samen besluiten te nemen en afspraken uit te voeren. Deelnemers zeggen dat een netwerk dat de uitvoering van zijn plannen bewaakt meer impact heeft. Of regionale samenwerking ook daadwerkelijk leidt tot betere resultaten voor het onderwijs en voor leerlingen en studenten is nog niet vastgesteld.
Leerlingen kunnen hun inzicht in grammatica vergroten als zij de grammatica van een vreemde taal vergelijken met de Nederlandse grammatica. Taalvergelijking lijkt vooral effectief wanneer de grammaticaregels van elkaar verschillen en wanneer leerlingen complexe grammatica-oefeningen maken. Om leerlingen bewust te maken van overeenkomsten en verschillen tussen talen en deze kennis vervolgens doelgericht in te zetten wanneer ze een nieuwe taal leren, is begeleiding van de docent essentieel.
Leerlingen leren rekenstof beter wanneer zij die verspreid over de tijd oefenen en herhalen dan wanneer alle oefening en herhaling in één aaneengesloten periode plaatsvindt. Doordat je de stof op verschillende momenten opnieuw traint, versterken leerlingen hun rekenvaardigheden. Dit geldt voor leerlingen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs en voor verschillende reken-wiskundedomeinen. Onderzoek geeft echter geen antwoord op de vraag hoe je rekenleerstof het beste over een heel schooljaar verdeelt.
Creatieve vakken kunnen bijdragen aan meer empathie bij leerlingen. Bij muziek leren leerlingen emoties herkennen, begrijpen en zelf muzikaal uiten. Vooral muziekonderwijs met aandacht voor expressie, cultuur en therapeutische technieken lijkt effectief. Dansonderwijs kan bijdragen aan zowel empathie als tolerantie. Er zijn ook aanwijzingen dat drama empathie kan vergroten, maar hiernaar is minder onderzoek gedaan.
We weten niet of landelijke initiatieven zoals Koningsspelen of Kinderboekenweek méér bijdragen aan de verbondenheid van leerlingen omdat er geen onderzoek naar is gedaan. Het beperkte onderzoek naar schoolbrede activiteiten, landelijk of niet, laat zien dat leerlingen die positiever zijn over deze activiteiten zich meer verbonden voelen met school. Het is echter niet duidelijk of de activiteiten daaraan bijdragen. Wel lijken activiteiten meer kans te hebben om bij te dragen aan verbondenheid wanneer leerlingen elkaar over klasgrenzen heen ontmoeten, de school de activiteit gezamenlijk draagt en deze structureel is ingebed.
Voor vakkenintegratie in het algemeen is geen overtuigend bewijs gevonden voor positieve óf negatieve effecten op leerprestaties, motivatie of dieper begrip. Het bestaande onderzoek is onvoldoende robuust om generaliserende uitspraken te kunnen doen, of laat onvoldoende duidelijke effecten zien.
Startende docenten koppelen aan ervaren docenten draagt bij aan het behoud van docenten in het beroep, vooral bij de starters. Starters voelen zich meer verbonden met een team, terwijl ervaren docenten waardering ondervinden. In beide gevallen leidt dit tot meer werktevredenheid, wat het behoud van docenten vergroot. De koppeling werkt beter als de schoolleiding deze ondersteunt en als gekoppelde docenten raakvlakken hebben met elkaar.
Of blokroostering leidt tot betere leerprestaties dan een traditioneel rooster, weten we niet precies. Onderzoek laat wisselende resultaten zien: sommige studies vinden hogere prestaties, andere geen verschillen of juist lagere prestaties. Dit komt mogelijk doordat scholen blokroostering op verschillende manieren invullen. Er zijn aanwijzingen dat sommige groepen leerlingen meer profiteren van een blokrooster. Daarnaast zijn docenten en leerlingen er over het algemeen positief over en zijn er aanwijzingen dat het kan bijdragen aan een beter klassenklimaat.