Over de kansen op succesvolle doorstroom in het basisonderwijs van leerlingen met gedragsproblemen is weinig bekend. Duidelijk is wel dat er in kleinere klassen over het algemeen minder agressief en verstorend probleemgedrag voorkomt, maar niet of dit ook geldt voor leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften. Extra begeleiding in de klas helpt leerlingen met probleemgedrag, als de groepsleerkracht deze aanbiedt. Ondersteunende instructie door een onderwijsassistent is niet raadzaam.
Bij het trainen van studievaardigheden is het belangrijk dat het in een context gebeurt en dat taken of opdrachten passen bij de vakinhoud. Ook vraagt het een actieve inzet van de student en metacognitief bewustzijn. Of studievaardigheden het beste individueel, in groepjes of klassikaal aangeleerd kunnen worden, wordt niet geheel duidelijk uit de onderzoeksliteratuur. Wel blijkt dat coöperatief leren en interactie helpen bij het ontwikkelen van studievaardigheden, omdat studenten elkaar ondersteunen en hun denken door discussie inzichtelijk maken.
Studies naar de effecten van indeling in niveaugroepen op de motivatie van leerlingen, laten een wisselend beeld zien: positief, negatief of neutraal. De aanpak van de leraar en kenmerken van een leerling hebben echter een belangrijker invloed op de prestaties en motivatie dan de indeling in niveaugroepen.
Geactualiseerd: oktober 2024
Er is geen Nederlands onderzoek bekend naar factoren die succesvol opstromen in het voorgezet onderwijs kunnen voorspellen. Onderwijsmobiliteit is kenmerkend voor het Nederlandse onderwijsstelsel; onderwijssystemen in andere landen kennen de mogelijkheid tot opstromen niet. Er is dan ook geen relevant internationaal onderzoek beschikbaar.
Ouderkamers dragen waarschijnlijk beperkt bij aan de ontwikkeling van kinderen. Belangrijker is het stimuleren van thuisbetrokkenheid, zoals samen voorlezen of praten over school. Als scholen graag de contacten tussen verschillende ouders willen stimuleren, moeten zij ouderactiviteiten zo organiseren dat deelname van zo veel mogelijk ouders mogelijk is, bijvoorbeeld door een goed tijdstip te kiezen. Het inzetten van leerlingen bij die activiteiten helpt daarbij.
Schoolbesturen hebben verschillende kenmerken. Besturen die over één school gaan, lijken zowel voor- als nadelen te hebben. Een keuze voor een specifiek bestuursmodel (functionele of organieke scheiding van bestuur en toezicht) is vermoedelijk van minder belang dan bezinning op een passende relatie tussen bestuur en intern toezicht. Onderwijsresultaten zijn beter op scholen met verbindende en ondersteunende besturen. Al met al laat het vrij schaarse onderzoek naar bestuurlijke inrichting van scholen lastig algemene uitspraken toe.
Het weinige onderzoek naar afname van klassikale vragenlijsten laat zien dat studenten minder twijfels hebben over de vertrouwelijkheid van hun gegevens als er een onderzoeker aanwezig is. Als ze ruimer tijd hebben om de vragenlijst in te vullen, ronden meer studenten de vragenlijst af. Uit onderzoek buiten het onderwijs blijkt dat bij het individueel afnemen van vragenlijsten de resultaten betrouwbaarder zijn als de vragen verduidelijkt worden voor respondenten. Het kan dus behulpzaam zijn, als docenten vragen verhelderen bij klassikale afname van een vragenlijst.
Geactualiseerd: 10 januari 2024
Voor volwassen tweede taalleerders lijkt blended onderwijs ten opzichte van online onderwijs meer effect te sorteren. Wil blended onderwijs voor deze groep succesvol zijn, dan moet de docent naast expert en mentor ook een motivator zijn. Verder dienen leermaterialen en -contexten aan te sluiten bij de dagelijkse praktijk van de deelnemer en de leeractiviteiten betekenisvol te zijn.
Om evenredigheidsvergelijkingen binnen natuurkunde op te lossen hebben leerlingen meerdere vaardigheden nodig, ook wiskundige. Ze moeten kunnen werken met breuken, verhoudingen en evenredigheden. En ze moeten inzicht hebben in en begrip hebben van verschillende wiskundige representaties van een evenredig verband, zoals weergegeven in een tekst, formule, grafiek of figuur. Verder moeten leerlingen wiskundige vaardigheden inzetten in een natuurkundige context, en de natuurkundige betekenis van de constanten en variabelen begrijpen. Ten slotte hebben zij vaardigheden nodig om vergelijkingen op te lossen. Een werkzame aanpak is dat leerlingen deze vaardigheden in samenhang verwerven.
Naast een grotere verbondenheid en een betere persoonlijke en sociale ontwikkeling draagt kunst- en cultuuronderwijs bij aan het fonologisch bewustzijn en de taalontwikkeling van leerlingen. Kunst- en cultuuronderwijs bevordert ook hun creativiteit en culturele betrokkenheid. Expliciete instructie in anders leren denken en aandacht voor een plezierige en belonende ervaring kunnen de impact van kunst- en cultuuronderwijs versterken.