Onderwijsmobiliteit is kenmerkend voor het Nederlandse onderwijsstelsel. Scholen voor voortgezet onderwijs kunnen wat opstroom, afstroom en doubleren betreft hun eigen beleid bepalen.
De mogelijkheid om op te stromen is belangrijk met het oog op kansengelijkheid. Eventuele negatieve effecten van de relatief vroege selectie kunnen er namelijk mee worden gecompenseerd. In de praktijk blijken leerlingen uit hogere sociaal-economische milieus de kansen om op te stromen beter te benutten dan leerlingen uit lagere sociaal-economische milieus.
Succesfactoren opstroom niet bekend
Om de toekomstige prestaties van opstromende leerlingen zo goed mogelijk te voorspellen, is het belangrijk om de beslissing hierover zo veel mogelijk op betrouwbare, objectieve en valide indicatoren te baseren. Voor zover bekend is er nog geen wetenschappelijk onderzoek verricht naar de vraag welke factoren succesvolle opstroom voorspellen van havo-leerlingen die overstappen naar vwo-niveau.
Sowieso is er weinig bekend over de verschillen tussen havo en vwo: er is weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Ook is niet onderzocht hoe er in het voortgezet onderwijs besloten wordt welke leerlingen mogen opstromen, of welke leerlingfactoren voorspellers zijn voor succesvolle opstroom ten opzichte van het schooladvies.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Edwin Buijs en José Mulder (Kennismakelaars Kennisrotonde). Cor Sluijter van Cito, en Anneke Timmermans van GION, Rijksuniversiteit Groningen zijn als experts geraadpleegd.