Studievaardigheden, belangrijk voor studiesucces, bestaan enerzijds uit cognitieve vaardigheden: de verschillende tactieken die een student beheerst om een taak aan te pakken (bijvoorbeeld samenvatten, aantekeningen maken of onderstrepen). Anderzijds gaan metacognitieve studievaardigheden vooral over zelfmanagement: het kiezen van de juiste tactiek voor een opdracht, deze te plannen, uit te voeren en te monitoren. Ook motivatie en zelfbeeld spelen een rol.
Een methode om studievaardigheden te trainen
Studievaardigheden kun je op verschillende manieren trainen, onder andere vanuit een sociaal-cognitieve benadering. Een eerste stap is vast te stellen welke motivationele en strategische zwaktes studenten hebben, met welke vakken ze worstelen en welke studie- en zelfreguleringstrategieën ze gebruiken. De tweede stap is om de student te leren zichzelf te reguleren en zwaktes om te zetten in sterktes. Dit kun je bereiken door:
- Het verbeteren en versterken van het beeld dat de student heeft over de controle over schoolprestaties en leerprocessen (empowerment);
- Het uitbreiden van het repertoire van strategieën om te leren, opdrachten uit te voeren en van zelfreguleringstrategieën;
- Het leren gebruiken van de nieuw verworven studie- en leerstrategieën op een cyclische, zelfregulerende manier (doelen stellen, strategisch plan ontwikkelen, monitoring, evalueren en bijstellen).
Inzet van de docent
Studenten kunnen zich met cognitieve modelling (zoals hardop denken) strategieën aanleren. Daarna kunnen ze met cognitieve coaching (hints en feedback) en geleide oefening steeds meer zelfstandig leren op een cyclische, zelfregulerende manier. Begeleiding van de docent bestaat uit het duidelijk maken van de studievaardigheid, door deze op te breken in basisstappen. Met expliciete instructie van de vaardigheid en herhaaldelijke demonstreren (modelling) kan de docent inzicht bieden. Dit kan goed klassikaal worden gedaan.
Vervolgens moet de docent inzicht geven in het denkproces dat hoort bij een leerstrategie en benadrukken wat het oplevert. Dat motiveert een student om de strategie zelf toe te passen. Met goede oefeningen kan hij dan steeds zelfstandiger studievaardigheden toepassen. Deze fase van zelfcontrole en zelfregulatie is meer individueel gericht. Studenten moeten ontdekken wat voor hen het beste werkt en weten dat zij studievaardigheden flexibel moeten inzetten. Dit vraagt een actieve inzet van de student en een metacognitief bewustzijn.
Studievaardigheden trainen: coöperatief, interactie en context
Op de vraag of studievaardigheden het best individueel, in kleine groepen of klassikaal aangeleerd kunnen worden, is geen eenduidig antwoord te vinden. Wel zijn coöperatief leren, interactie en de context belangrijke aspecten.
Coöperatief leren blijkt effectief te zijn bij het trainen van studievaardigheden, niet zo zeer in het basisonderwijs, maar wel in het latere onderwijs. Er zijn wel mitsen en maren: om de schoolprestaties van studenten te verbeteren, moet coöperatief leren een gezamenlijk doel hebben voor de groepen en er moet een individuele verantwoording zijn voor de leerprestatie.
Interactie tussen studenten (in groepsverband) zorgt ervoor dat studenten elkaar kunnen stimuleren om te reflecteren; door interactie en discussie kunnen zij hun eigen metacognitieve strategieën en kennis testen, begrip bevorderen, ideeën en argumenten uitbreiden, wat weer bijdraagt aan het leren leren. Studenten kunnen zo een positievere kijk op hun competenties krijgen.
Studievaardigheden aanleren is het effectiefst als dat in een context gebeurt, gekoppeld aan vakkennis. Om vaardigheden daadwerkelijk te internaliseren, moet een docent in het dagelijkse onderwijsproces voldoende situaties aanbieden waarin studenten die kunnen toepassen.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Karien Coppens, Tara Schoemaker (antwoordspecialisten), Sandra Wagemakers (kennismakelaar)