Systemen om gedrag te registreren zorgen ervoor dat leerlingen meer gewenst en minder ongewenst gedrag vertonen in de klas. Leerlingen kunnen bij deze systemen punten verdienen, individueel of in groepjes. Deze kunnen ze ook weer verliezen. Doordat de voortgang zichtbaar is voor de hele klas, kunnen leerlingen extra hun best gaan doen. Maar het kan ook zorgen voor angst en schaamte als ze punten verliezen. Leraren geven tijdens het gebruik van deze systemen meer complimenten. Ook zijn deze vaak specifieker.
Met duidelijke regels en routines, en door positief gedrag te bekrachtigen kun je storende gedragingen deels voorkomen. Wanneer een leerling toch storend gedrag vertoont, kun je het gedrag het beste zo klein en passend mogelijk corrigeren. Dit heeft de voorkeur boven klassikaal ingrijpen en grote consequenties aan storend gedrag hangen. Een positieve leraar-leerlingrelatie ondersteunt preventieve en corrigerende maatregelen.
In een klas met leerlingen met externaliserend probleemgedrag lijkt de kans groter dat klasgenoten lagere leerresultaten halen voor rekenen en taal. Dit komt mogelijk doordat leraren meer tijd nodig hebben voor klassenmanagement, wat dan ten koste gaat van de effectieve leertijd. Of andere leerlingen nemen het externaliserend gedrag over, waardoor ze minder goed gaan presteren. Er is echter meer onderzoek nodig om beter zicht te krijgen op het effect van externaliserend gedrag en verklaringen hiervoor.
Hoe meer leerlingen met externaliserend probleemgedrag er in een klas zitten, hoe groter de kans dat klasgenoten ook dergelijk gedrag gaan vertonen. Het risico is het grootst als er veel leerlingen met externaliserend gedrag in een klas zitten, en klasgenoten deze leerlingen als vriend beschouwen. Externaliserend gedrag van leerlingen vergroot ook de kans op internaliserend gedrag bij klasgenoten, zoals terugtrekken en neerslachtigheid. Voor leerlingen met externaliserend gedrag kan het juist positief uitpakken als zij in de klas zitten met klasgenoten zonder dit gedrag.
Basisschoolleerlingen op (kleine) dorpsscholen hebben vaker te maken met pesten dan leerlingen op stadsscholen. Doordat leerlingen op dorpsscholen afhankelijker zijn van hun schoolreputatie, ervaren zij vaak meer stress van pesten. Uit onderzoek wordt niet duidelijk of leerlingen op (kleine) dorpsscholen zich daar minder veilig voelen. Ook is niet zeker of deze leerlingen vaker last hebben van gedragsproblemen en mentale gezondheidsproblemen.
Een lagere taalvaardigheid en gedragsproblemen hangen samen. Dat kan te maken hebben met een samenhang tussen lage taalvaardigheid en problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Een andere mogelijke verklaring is dat leerlingen met een lage taalvaardigheid moeite hebben sociale relaties aan te gaan. Er is geen bewijs dat een taalachterstand gedragsproblemen bij NT2-leerlingen veroorzaakt.
Een sensorisch hulpmiddel eenmalig inzetten, zoals een wiebelkussen of hoofdtelefoon, leidt niet tot verbetering van taakgericht werken. Wel zijn er aanwijzingen dat sensorische hulpmiddelen effectief kunnen zijn, wanneer ze aansluiten bij het individuele patroon van prikkelverwerking van de leerling. Leerlingen kunnen ze het best langdurig gebruiken, zodat ze wennen aan een hulpmiddel. Daarnaast kunnen leerkrachten de leeromgeving zo aanpassen dat leerlingen hun aandacht op een taak kunnen richten en vasthouden.
Van beloningen is bekend dat ze een positief effect hebben op gedrag. Sommige beloningen verhogen de intrinsieke motivatie, wat een duurzaam effect kan hebben op de sociaal-emotionele vaardigheden en het gedrag van jongeren. Van jongeren met complexe gedragsproblemen is bekend dat ze minder gevoelig zijn voor beloningen. Daardoor is het onzeker of beloningen een duurzaam effect hebben.
Volwassenen met lage basisvaardigheden beschikken na deelname aan een leertraject over betere sociale vaardigheden. Ze worden assertiever en meer zelfwerkzaam. Verder ontwikkelen ze een positiever zelfbeeld. Als ouder krijgen ze een beter contact met hun kinderen en met school. Vooral de inzet van goede docenten, goede materialen en activiteiten, en transfermogelijkheden bevorderen de groei in sociale vaardigheden tijdens een leertraject. Ook betrokkenheid van de omgeving en ondersteuning van een vrijwilliger helpen.
In elke kleuterklas zitten kinderen die verlegen, afwachtend en/of stil zijn. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn het temperament van kleuters (erg verlegen) of dat ze in een toekijkende fase zitten. In heel uitzonderlijke gevallen is er sprake van selectief mutisme (stil gedrag). Voor de meeste van deze kleuters is geen interventie nodig om ze met activiteiten mee te laten doen. Het gedrag gaat vanzelf over.