In hoeverre hangen de Nederlandse taalvaardigheid en aanwezigheid van gedragsproblemen bij NT2-leerlingen in het basisonderwijs samen?

Een lagere taalvaardigheid en gedragsproblemen hangen samen. Dat kan te maken hebben met een samenhang tussen lage taalvaardigheid en problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Een andere mogelijke verklaring is dat leerlingen met een lage taalvaardigheid moeite hebben sociale relaties aan te gaan. Er is geen bewijs dat een taalachterstand gedragsproblemen bij NT2-leerlingen veroorzaakt.

Gepubliceerd:

Gedragsproblemen

Gedragsproblemen komen vaker voor bij leerlingen met een migratieachtergrond dan bij leerlingen zonder migratieachtergrond. Voor sommige leerlingen met een migratieachtergrond is het Nederlands niet hun eerste taal. Niet alle NT2-leerlingen hebben echter een taalachterstand.

Achterstand versus stoornis

Een taalachterstand kan worden veroorzaakt door een taalontwikkelingsachterstand (TOA), een taalontwikkelingsstoornis (TOS) of een combinatie daarvan.

Bij een TOA wordt een leerling onvoldoende blootgesteld aan de Nederlandse taal. Dit komt vaak voor in gezinnen waar de leden een andere taal spreken dan Nederlands. NT2-leerlingen met een achterstand in het Nederlands hebben dan wel goede taalvaardigheden in hun moedertaal. Bij leerlingen met een TOS is er iets mis met het aangeboren vermogen om taal, welke taal dan ook, te leren.

Eenduidige verklaring voor de samenhang ontbreekt

In het algemeen valt probleemgedrag bij leerlingen te koppelen aan taalvaardigheid. Leerlingen met lage taalvaardigheden laten meer probleemgedrag zien, zoals teruggetrokken gedrag of hyperactiviteit. Er is geen eenduidige verklaring voor deze samenhang. Mogelijk spelen meerdere mechanismen een rol. Zo kunnen taalvaardigheden het gedrag van leerlingen beïnvloeden, en kan het gedrag van leerlingen de taalvaardigheden beïnvloeden. Daarnaast kan er sprake zijn van een onderliggende oorzaak die zowel de taalvaardigheden als het gedrag van leerlingen beïnvloedt.

Woordenschat en sociale relaties

Leerlingen met een taalachterstand beschikken meestal over een te kleine woordenschat om gevoelens of meningen te verwoorden. Deze leerlingen kunnen moeite hebben om relaties aan te gaan met leeftijdgenoten en docenten. Er kan ook een vertraging plaatsvinden in hun cognitieve ontwikkeling, doordat leerlingen de aangeboden informatie in de klas niet of onvoldoende begrijpen. Als een leerling vervolgens sociaal-emotionele problemen ontwikkelt die zich uiten in bijvoorbeeld luidruchtig of teruggetrokken gedrag, kan de omgeving dit interpreteren als probleemgedrag.

Gedrag als katalysator voor taalproblemen

Andersom zijn leerlingen met bijvoorbeeld autisme, ADHD of een angststoornis kwetsbaar om taalproblemen te krijgen door hun gedrag in de klas. Mogelijk dat aandachtsproblemen er voor zorgen dat een leerling minder goed in staat is om het taalaanbod te verwerken. Een leerling die het moeilijk vindt om contact te maken met leeftijdgenoten, krijgt minder kansen om taalvaardigheden te oefenen.

Gedragsproblemen hebben meerdere oorzaken

Gedragsproblemen ontstaan meestal door interactie tussen de kenmerken van het kind, het gezin en de omgeving. Bij NT2-leerlingen en leerlingen met een migratieachtergrond spelen mogelijk ook andere factoren die hun psychosociale ontwikkeling kunnen belemmeren een rol. Dan gaat het bijvoorbeeld om sociale en economische problemen in het gezin, beperkte culturele socialisatie, onvoldoende sociaal-emotionele steun en cognitieve stimulans, en slechte aansluiting tussen thuis- en schoolmilieu.

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Andrea Willems en Marianne Hooijsma (kennismakelaars Kennisrotonde).


Ga je het antwoord gebruiken in het onderwijs?
Wat vind je van de leesbaarheid van het antwoord?

Privacyverklaring

Wij gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens. Lees hierover meer in onze privacyverklaring.

Gerelateerde vragen

    Erfelijkheid speelt een rol bij de ontwikkeling van bepaalde taalproblemen. Daarom hebben kinderen met een oudere broer of zus met een taalontwikkelingsstoornis een grotere kans op taalproblemen. Dit is vooral het geval als de oudere broer of zus een stoornis heeft die zich uit in een achterstand in grammatica, zinsopbouw en zinsformulering. Een achterblijvende woordenschat brengt geen verhoogd risico met zich mee op de ontwikkeling van taalproblemen bij een jonger broertje of zusje.

    Lees meer