Vitamines en mineralen zoals ijzer, jodium, zink, en vitamine B en D spelen een belangrijke rol in de werking van ons lichaam, waaronder onze hersenen. Tekorten kunnen leiden tot een lagere IQ-score, slechtere werking van het geheugen, verminderd verbaal en non-verbaal leren. Ook kan een tekort depressie, aandachtsvermindering en verlaagde informatieverwerkingssnelheid tot gevolg hebben, zeker ook bij jongeren. Als jongeren met tekorten ijzer of jodium bijslikken, kan dit hun cognitieve functioneren verbeteren. Er zijn aanwijzingen dat supplementen met (bepaalde) vitamines B de cognitie ook kunnen verbeteren, maar in welke combinatie is niet eenduidig. Er is geen bewijs dat supplementen met vitamine D en magnesium de cognitieve prestaties verbeteren van gezonde mensen.
Kritisch denkvermogen kan het beste worden geïntegreerd in het onderwijs door expliciete instructie in combinatie met een vakgebonden inhoud of context. Docenten kiezen voor dergelijke lessen vaak een werkvorm waarin de dialoog centraal staat. Er is geen overtuigend bewijs dat dit type werkvorm beter of slechter is dan andere werkvormen. Er is wel bewijs voor succes als docenten eerst zelf getraind worden in kritisch denken. Getrainde docenten die bij het lesgeven in kritisch denken de inbreng van de leerlingen en van zichzelf in balans brengen, vergroten de kans op succes. Onderzoek naar het aanleren van kritisch denkvermogen bij vmbo of mbo-leerlingen is schaars. Uit internationaal onderzoek blijkt dat leerlingen tussen 6 en 15 jaar het meest vatbaar zijn voor het aanleren van kritisch denken. Op tijd beginnen met het ontwikkelen van kritisch denkvermogen lijkt daarom een goed idee. Kritisch denken is moeilijk voor iedereen, dus ook voor docenten.
Het is belangrijk het bevorderen van onderzoeksvaardigheden te koppelen aan vakinhoud. Variëren in de hoeveelheid sturing die de docent geeft, lijkt daarbij het meest effectief. Bijvoorbeeld door expliciete instructie af te wisselen met een klassikale discussie. Daarbij dient de docent te focussen op zowel de onderzoeksvaardigheden, als de wijze van samenwerking, als de vakspecifieke kennis. De wijze van beoordelen van onderzoeksvaardigheden hangt sterk af van de gestelde doelen en de gekozen didactische aanpak.
Bij begrijpend lezen is er veel aandacht voor leesstrategieën. Leesstrategieën aanleren heeft vaak positieve effecten op het tekstbegrip van leerlingen in de basisschoolleeftijd. Maar deze positieve effecten zijn in de meeste gevallen aangetoond met methode gebonden toetsen en niet altijd aantoonbaar bij gestandaardiseerde toetsen. Om leesstrategieën aan te leren wordt vaak ‘modeling’ ingezet. Bij 'modeling' doet de leraar de taak of leesstrategie voor als onderdeel van de leesdidactiek. Onderzoek in het voortgezet onderwijs laat zien dat deze aanpak een positieve invloed heeft op het tekstbegrip van leerlingen.
Geactualiseerd: 12 april 2023
Kleutertoetsen kunnen het beheersingsniveau van cognitieve vaardigheden helpen vast te stellen. Maar het eigen oordeel van de leerkracht over de leerprestaties en de cognitieve ontwikkeling lijkt daarnaast ook belangrijk. Het is namelijk niet eenvoudig om de betrouwbaarheid van de toetsafname bij jonge kinderen te garanderen. Bovendien lijken kleutertoetsen een matige voorspellende waarde te hebben voor leerprestaties op het gebied van cognitieve vaardigheden. De voorspellende waarde van de cognitieve toetsen is groter als er sprake is van subjectieve beoordeling van de leerkracht.
Kinderen profiteren van bewegend leren omdat het een positieve invloed heeft op voor leren belangrijke hersenactiviteiten en daardoor op de leerprestaties. Bewegend leren met daartoe ontwikkelde programma’s als Fit en Vaardig leidt - ook op langere termijn - tot leerwinst bij zowel rekenen als taal. Er is nog maar weinig onderzocht of bewegend leren tot verschillende opbrengsten bij jongens en meisjes leidt. De publicaties die wel sekseverschillen noemen, geven aan dat meisjes meer profiteren, zonder dat te verklaren. Bij Playing for Success, een programma met buitenschoolse sportactiviteiten, wordt in een enkel geval indirect verwezen naar sekseverschillen. Teruggetrokken kinderen of kinderen met internaliserende gedragsproblemen profiteren het meest van die activiteiten. Uit onderzoek is bekend dat meisjes vaker internaliserende gedragsproblemen hebben dan jongens.
Geactualiseerd: 3 februari 2023
Veel leerlingen met leesproblemen hebben ook moeite met schrijven, vooral leerlingen met dyslexie. Gecombineerde schrijf- en leesproblemen waar leerlingen mee kampen, kunnen liggen aan cognitieve en didactische factoren, zoals niet goed en/of niet snel kunnen koppelen van een klank aan een letter. Of aan motorische factoren, bijvoorbeeld de schrijfbeweging niet goed of snel kunnen uitvoeren. Er is geen direct oorzakelijk verband tussen motorische handschriftproblemen en leesproblemen.
Verwerving van de omgevingstaal is cruciaal voor nieuwkomers. Wat voorspelt hoe kinderen de nieuwe taal leren? Hierbij zijn kindfactoren, omgevingsfactoren, en de interactie tussen die twee van belang. Voorspellende kindfactoren zijn bijvoorbeeld taalaanleg en de eventuele aanwezigheid van trauma, en beschermende factoren (zoals het hebben van goede zelfregulatievaardigheden en een positief zelfbeeld). De belangrijkste omgevingsfactoren zijn de hoeveelheid en kwaliteit van het taalaanbod. Een rijk taalaanbod (in de eerste en in de tweede taal), afgestemd op de vaardigheden van het kind, en veel mogelijkheid tot interactie, zijn bevorderlijk voor de tweede-taalontwikkeling.
Geactualiseerd: 1 november 2024
Leerlingen betrekken bij onderwijsinterventies kan bijdragen aan hun motivatie en leerresultaten. Door de inhoud van onderwijsinterventies tussen docenten en leerlingen af te stemmen wordt het eigenaarschap van leerlingen aangesproken. Zo wordt ook een beroep gedaan op hun intrinsieke motivatie. Die motivatie heeft een gunstig effect op leerresultaten. Er zijn echter ook andere factoren van invloed. Daarom gaat de betrokkenheid van leerlingen bij interventies niet standaard gepaard met meer motivatie en betere leerresultaten.
Scholen voor praktijkonderwijs kunnen het beste digitale vaardigheden aanleren als onderdeel van andere onderwijsactiviteiten. Een specifiek leermiddel is daarom niet nodig. Er zijn nog geen toetsen beschikbaar waarmee scholen de ontwikkeling van de digitale geletterdheid in kaart kunnen brengen. Wel kunnen scholen daarvoor uitwerkingen van digitale geletterdheid van Kennisnet of ICILS als checklist gebruiken.