Dit is de tekst: Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag.
Wat betreft taalverwerving zijn vluchtelingenkinderen vergelijkbaar met niet-gevluchte immigrantenkinderen die thuis de eerste taal spreken en op school de meerderheidstaal leren. In dit antwoord is dan ook onderzoek naar andere tweedetaalverwervers, zoals kinderen van immigranten, meegenomen.
Kindfactoren
Verschillende cognitieve en emotionele factoren zijn van invloed op het leren van een taal. In het algemeen is veiligheid en welbevinden belangrijk om te kunnen leren. Vluchtelingenkinderen hebben een verhoogd risico op psychische problemen, door trauma’s in het verleden en door gebrek aan een stabiele thuissituatie. Er is echter nog geen uitgebreid effectonderzoek naar psychologische interventies voor de taalontwikkeling voor vluchtelingkinderen (zie ook deze vraag de Kennisrotonde). Naast veiligheid is ook motivatie een voorwaarde voor leren. Voor kinderen die de meerderheidstaal op school als tweede taal leren, is motivatie over het algemeen minder problematisch. Meestal is de behoefte om mee te kunnen doen in de nieuwe omgeving groot genoeg.
Om optimaal gebruik te kunnen maken van het taalaanbod zijn verschillende cognitieve factoren belangrijk. Voorbeelden hiervan zijn fonologisch bewustzijn, verbaal werkgeheugen en analytisch vermogen. Problemen met het verbale werkgeheugen kunnen het bijvoorbeeld moeilijk maken om nieuwe woorden in het langetermijngeheugen op te slaan of grammaticale regels uit het taalaanbod af te leiden. Dit kan vooral voor kinderen met leerproblemen een struikelblok vormen, ook als zij geen of weinig problemen in hun eerste-taalontwikkeling laten zien.
Omgevingsfactoren
De belangrijkste omgevingsfactor is het taalaanbod in de doeltaal. Andere omgevingsfactoren die tweedetaalverwerving beïnvloeden, zoals sociaal-economische status, doen dat vooral indirect door hun invloed op het taalaanbod.
Een grotere hoeveelheid taalaanbod beïnvloedt de taalverwerving in principe positief. Zo spreken kinderen die langer in het land van de doeltaal verblijven de taal beter. De totale hoeveelheid aanbod in de doeltaal is voorspellend voor de woordenschat in de doeltaal. Ook bij vluchtelingleerlingen in Nederland bleek dat de verblijfduur de sterkste voorspeller is voor het taalniveau van de doeltaal. Niet alle taalaanbod is echter even doeltreffend, ook kwaliteit is belangrijk.
Rijk taalaanbod
Een rijk taalaanbod is ten eerste divers. Taalaanbod door verschillende sprekers in verschillende contexten stelt het kind bloot aan meer verschillende woorden, grammaticale constructies en uitspraakvarianten. Ook de complexiteit van het taalaanbod is van invloed. Te lange complexe zinnen kunnen het moeilijker maken om de taal te leren, maar te weinig complexiteit is ook niet bevorderlijk. Kunst is om het kind net boven zijn huidige niveau van taalbeheersing uit te dagen. Tevens is interactie cruciaal. Een manier om zowel een rijk taalaanbod te bieden als herhaling en interactie uit te lokken, is interactief voorlezen.
Als ouders thuis de tweede taal spreken, terwijl zij die taal onvoldoende beheersen, heeft dit weinig positieve invloed op de tweedetaalverwerving van het kind. En dit heeft wel negatieve gevolgen voor de ontwikkeling in de eerste taal. Het is, zeker voor gezinnen die allemaal nog beginners zijn in de tweede taal, beter om thuis voor een zo rijk mogelijk taalaanbod in de moedertaal te zorgen.
Omdat taalvaardigheid in de moedertaal een positieve invloed heeft, kan het ook helpen het taalaanbod in de moedertaal te stimuleren. Hierbij kunnen ouders betrokken worden. Ouderbetrokkenheid en waardering van de moedertaal helpen het kind zich veilig en welkom te voelen in de schoolomgeving.
Meer weten?
Lees hier het volledige rapport geschreven als antwoord op de vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Henriette Raudszus (antwoordspecialist) en Sandra Beekhoven (kennismakelaar), update Marijn van Dijk (antwoordspecialist).