Virtual reality geeft studenten de mogelijkheid om te oefenen met beroepsgerichte soft skills, in een realistische werkomgeving en beroepssituatie. Voor het beste resultaat start je als docent met een briefing waarin je het verband tussen de oefening en het toekomstige werk verduidelijkt. Je laat de studenten vervolgens oefenen met uitdagende scenario’s in een psychologisch veilige setting. En tot slot zorg je met een debriefing voor hogere en toekomstgerichte leeropbrengsten.
Mbo-studenten behalen minder vaak een hbo-diploma dan havisten of vwo’ers. Een succesvolle doorstroom kun je vermoedelijk vooral bevorderen met een samenhangende aanpak waarin mbo- en hbo-instellingen samen optrekken. Interventies die in combinatie de doorstroom bevor-deren, richten zich vooral op studiekeuze, oriëntatie op het hbo, studievaardigheden, sociale en inhoudelijke aansluiting en je thuisvoelen op het hbo.
Leerlingen en studenten die nu onderwijs volgen, ook wel Gen Z genoemd, kunnen met verschillende (inter)actieve werkvormen actief meebeslissen over hun onderwijs. Onderzoek naar curriculum-onderhandeling, pedagogic voice, Triple I en Digi-Pals geeft aanwijzingen dat deze werkvormen bijdragen aan de student voice van leerlingen en studenten. Bijvoorbeeld door ze verantwoordelijkheid te geven bij het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van lessen.
Met simulaties bootsen opleidingen situaties uit de beroepspraktijk na. Ze beogen daarmee een veilige en gecontroleerde omgeving te bieden waarin studenten hun theoretische kennis in de praktijk kunnen brengen, klinische vaardigheden kunnen oefenen en fouten kunnen maken. Er is veel bewijs voor de effectiviteit van simulaties op het vergroten van kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen in verpleegkunde-opleidingen. Dit geldt vooral bij simulaties op basis van scenario’s en in combinatie met briefing- en debriefing-activiteiten.
Mbo-docenten kunnen met enkele instrumenten een betrouwbaar zicht krijgen op de executieve vaardigheden van mbo-studenten: de ESQ-R (voor alle elf executieve vaardigheden van Dawson en Guare, zie hieronder) en de AEFI (voor aandacht, zelfbeheersing en zelfcontrole, planning en initiatief). Deze instrumenten zijn niet specifiek getest in het mbo, maar wel onder vergelijkbare leeftijdsgroepen.
Welke didactische aanpak mbo-studenten helpt om kantoortoepassingen als Word en Excel te leren gebruiken is niet specifiek onderzocht. Leertheorieën zoals de cognitive load theory en kleinschalige experimenten bieden enige handvatten: begin met eenvoudige software, werk met verhalen die aansluiten bij de leefwereld van studenten en verminder geleidelijk de ondersteuning.
Het is niet eenvoudig om effectief vakoverstijgend onderwijs te ontwerpen. Mogelijk kan design thinking hierbij uitkomst bieden. Onderzoek heeft hiervoor nog geen empirisch bewijs aangedragen. Bij design thinking verkennen de deelnemers gezamenlijk (ontwerp)vraagstukken. Vervolgens ontwerpen en testen ze oplossingen en stellen deze zo nodig bij. Deelnemers die werken met design thinking zeggen dat de methode hen helpt om vakoverstijgend onderwijsmateriaal te maken.
Studenten lijken hogere cijfers te halen op een kennistoets als docenten chatbots didactisch goed inzetten, zoals studenten vooraf vakinhoudelijke vragen laten stellen aan een chatbot. De chatbot kan fungeren als een studie-buddy die uitleg geeft, wedervragen stelt en studenten aanmoedigt. De chatbot werkt ook goed als digitale tutor die direct feedback geeft.
Er is nog geen sterk bewijs dat gebruik van generatieve artificiële intelligentie leidt tot betere of slechtere informatievaardigheden. Het kan voor studenten een hulpmiddel zijn bij lessen in informatievaardigheden, bijvoorbeeld om gestructureerde zoekopdrachten of onderzoeksvragen te formuleren. Dan is het wel nodig dat studenten kennis hebben over AI en haar beperkingen. Docenten kunnen studenten ‘AI-geletterder’ maken door ze te leren output kritisch te beoordelen en effectieve prompts te formuleren.
Schoolleiders kunnen op verschillende manieren stimuleren dat leraren onderzoekend werken. Door het belang ervan expliciet te onderstrepen, leraren te stimuleren om onderzoeksliteratuur te gebruiken, en te zorgen voor voldoende tijd en begeleiding. Hoeveel effect de verschillende interventies hebben is nog niet goed onderzocht.