Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag.
Hoewel de nieuwe kwalificatiedossiers inhoudelijk nauwelijks uiteenlopen, lijken de groepen op niveau 3 en niveau 4 wel van elkaar te verschillen. Om aan die verschillen tussen beide groepen recht te doen, zou bij het ontwerpen van het curriculum daarmee rekening gehouden moeten worden.
Graduele verschillen
In veel registerbestanden zijn bij de daarin opgenomen variabelen weinig verschillen tussen studenten op niveau 3 en op niveau 4. Het gaat dan om leeftijd en geslacht, leerweg in het vmbo, doorstroom uit mbo-2 en sociaal-culturele oriëntatie. Verder gaat het om voorkeur voor een studierichting en voorkeur voor een multisectoraal (roc) of een sectoraal schooltype (vakschool, aoc).
Een onderscheid tussen mbo-studenten op de vier niveaus is eerder gradueel dan principieel. De verschillen zijn vooral te vinden tussen niveau 1 en 2 enerzijds en niveau 3 en 4 anderzijds. Met andere woorden, de variëteit binnen niveaus 3 en 4 is even groot als tussen beide groepen.
Cognitieve verschillen
Verschillen tussen studenten op niveau 3 en op niveau 4 liggen vooral op cognitief vlak. Dat ligt aan de aard en inhoud van de programma’s die de studenten in hun vooropleiding hebben gevolgd. Studenten niveau 4 vinden de meeste vakken minder moeilijk, kunnen abstracter denken en begrijpen de stof sneller dan niveau 3-studenten. Mogelijke verklaring is dat in het curriculum van de gemengde en theoretische leerweg, waarvan de studenten op dit niveau veelal afkomstig zijn, generieke vakken de boventoon voeren. Deze vakinhouden zijn abstracter dan die van de praktijkvakken in de beroepsgerichte leerwegen en op mbo-niveau 2. Studenten met deze opleidingen zijn vooral op niveau 3 te vinden.
Naast de pedagogisch-didactische verschillen in de onderwijsprogramma’s ligt het tempo op niveau 4 hoger. Er is daardoor meer ruimte voor verdieping en complexere problematiek. Op niveau 3 wordt de ruimte benut voor het concretiseren van de lesstof met praktijkvoorbeelden.
Andere programmeringen
De school kan een opleiding integraal in een niveau 3- en een niveau 4-variant splitsen, en de studenten bij de inschrijving indelen in niveaugroepen. Een alternatief is om de niveaus na een eerste gemeenschappelijke jaar toe te delen. Dan heeft de student een jaar de tijd om zich op de keuze voor een niveau te oriënteren. Een andere variant is een opleiding op niveau 3 (bijvoorbeeld Maatschappelijke Zorg) te combineren met een andere opleiding (bijvoorbeeld Verzorgende IG) en die op niveau 4 te verdiepen. Studenten hebben dan de keuze tussen een brede en een meer gespecialiseerde opleidingsvariant.
Of een opleiding op beide niveaus zich aan verschillen tussen studenten moet aanpassen, is mede afhankelijk van hoe de school de intake organiseert. Door een opleiding op twee niveaus aan te bieden, ontstaan homogene studentengroepen naar de aard van hun voorkennis en leerstijl. Daarmee is niet gezegd dat dit een onterechte keuze is, alleen dat verschillen tussen studenten op niveau 3 en niveau 4 niet eenduidig herleid kunnen worden naar onderwijsonafhankelijke factoren.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Canon Beroepsonderwijs – Omgaan met verschillen
Canon Beroepsonderwijs – Curriculumontwerp
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Alieke Hofland en Anneke Westerhuis (antwoordspecialisten) en Annemiek Cox (kennismakelaar Kennisrotonde).