Wat zijn specifieke kenmerken van mbo-studenten niveau 3 om rekening mee te houden in een curriculumontwerp?

Geactualiseerd: 29 april 2019

De mbo-populatie is op een groot aantal kenmerken zeer divers. En deze variëteit tekent zich zowel binnen als tussen niveaus af. Het is daarom lastig om specifieke kenmerken toe te schrijven aan mbo-studenten niveau 3 als geheel. Als er verschillen zijn, dan heeft dat te maken met de organisatie van de opleidingen. Wanneer de school de opleidingen op niveau 3 en 4 aanbiedt in homogene groepen, samengesteld op basis van vooropleiding, dan zijn de verschillen vooral cognitief van aard en te herleiden tot de intakeprocedure.

Gepubliceerd:

Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag. 

Hoewel de nieuwe kwalificatiedossiers inhoudelijk nauwelijks uiteenlopen, lijken de groepen op niveau 3 en niveau 4 wel van elkaar te verschillen. Om aan die verschillen tussen beide groepen recht te doen, zou bij het ontwerpen van het curriculum daarmee rekening gehouden moeten worden.

Graduele verschillen

In veel registerbestanden zijn bij de daarin opgenomen variabelen weinig verschillen tussen studenten op niveau 3 en op niveau 4. Het gaat dan om leeftijd en geslacht, leerweg in het vmbo, doorstroom uit mbo-2 en sociaal-culturele oriëntatie. Verder gaat het om voorkeur voor een studierichting en voorkeur voor een multisectoraal (roc) of een sectoraal schooltype (vakschool, aoc).

Een onderscheid tussen mbo-studenten op de vier niveaus is eerder gradueel dan principieel. De verschillen zijn vooral te vinden tussen niveau 1 en 2 enerzijds en niveau 3 en 4 anderzijds. Met andere woorden, de variëteit binnen niveaus 3 en 4 is even groot als tussen beide groepen.

Cognitieve verschillen

Verschillen tussen studenten op niveau 3 en op niveau 4 liggen vooral op cognitief vlak. Dat ligt aan de aard en inhoud van de programma’s die de studenten in hun vooropleiding hebben gevolgd. Studenten niveau 4 vinden de meeste vakken minder moeilijk, kunnen abstracter denken en begrijpen de stof sneller dan niveau 3-studenten. Mogelijke verklaring is dat in het curriculum van de gemengde en theoretische leerweg, waarvan de studenten op dit niveau veelal afkomstig zijn, generieke vakken de boventoon voeren. Deze vakinhouden zijn abstracter dan die van de praktijkvakken in de beroepsgerichte leerwegen en op mbo-niveau 2. Studenten met deze opleidingen zijn vooral op niveau 3 te vinden.

Naast de pedagogisch-didactische verschillen in de onderwijsprogramma’s ligt het tempo op niveau 4 hoger. Er is daardoor meer ruimte voor verdieping en complexere problematiek. Op niveau 3 wordt de ruimte benut voor het concretiseren van de lesstof met praktijkvoorbeelden.

Andere programmeringen

De school kan een opleiding integraal in een niveau 3- en een niveau 4-variant splitsen, en de studenten bij de inschrijving indelen in niveaugroepen. Een alternatief is om de niveaus na een eerste gemeenschappelijke jaar toe te delen. Dan heeft de student een jaar de tijd om zich op de keuze voor een niveau te oriënteren. Een andere variant is een opleiding op niveau 3 (bijvoorbeeld Maatschappelijke Zorg) te combineren met een andere opleiding (bijvoorbeeld Verzorgende IG) en die op niveau 4 te verdiepen. Studenten hebben dan de keuze tussen een brede en een meer gespecialiseerde opleidingsvariant.

Of een opleiding op beide niveaus zich aan verschillen tussen studenten moet aanpassen, is mede afhankelijk van hoe de school de intake organiseert. Door een opleiding op twee niveaus aan te bieden, ontstaan homogene studentengroepen naar de aard van hun voorkennis en leerstijl. Daarmee is niet gezegd dat dit een onterechte keuze is, alleen dat verschillen tussen studenten op niveau 3 en niveau 4 niet eenduidig herleid kunnen worden naar onderwijsonafhankelijke factoren.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Canon Beroepsonderwijs – Omgaan met verschillen

Canon Beroepsonderwijs – Curriculumontwerp

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Alieke Hofland en Anneke Westerhuis (antwoordspecialisten) en Annemiek Cox (kennismakelaar Kennisrotonde).


Ga je het antwoord gebruiken in het onderwijs?
Wat vind je van de leesbaarheid van het antwoord?

Privacyverklaring

Wij gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens. Lees hierover meer in onze privacyverklaring.

Gerelateerde vragen

    Of docenten die het 4C/ID-model toepassen anders of beter gaan lesgeven, is niet bekend uit onderzoek. Wel is duidelijk dat onderwijs dat volgens het 4C/ID-model is ontworpen vaak tot betere leerprestaties leidt, vooral in het beroepsonderwijs.

    Lees meer

    Voor vakkenintegratie in het algemeen is geen overtuigend bewijs gevonden voor positieve óf negatieve effecten op leerprestaties, motivatie of dieper begrip. Het bestaande onderzoek is onvoldoende robuust om generaliserende uitspraken te kunnen doen, of laat onvoldoende duidelijke effecten zien.

    Lees meer