Leerlingen die extra aandacht nodig hebben, moeten in de eerste plaats worden begeleid door de leraar. Ondersteunend personeel kan het werk van de leraar intussen aanvullen, maar niet vervangen. Zij kunnen leerlingen begeleiden met bewezen effectieve interventies. Een duidelijke rolverdeling tussen leraar en ondersteuner bevordert het succes.
De hoeveelheid anderstalige leerlingen in de klas lijkt nauwelijks nadelige gevolgen te hebben voor de taalontwikkeling van leerlingen in het basisonderwijs. Het gebruik van thuistalen in de klas kan juist positieve effecten hebben op de spelling voor Nederlandstalige leerlingen. Thuistalen gebruiken vergroot bovendien het welbevinden en de betrokkenheid van alle leerlingen in de klas.
Het is niet bekend of thuistalen inzetten in de klas effect heeft op de taalontwikkeling en cognitieve ontwikkeling van meertalige leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Onderzoeksresultaten van meertalige leerlingen zónder TOS geven in combinatie met de beschikbare kennis over TOS wel aanwijzingen voor mogelijk positieve effecten.
Extra ondersteuning kan voor leergroei zorgen mits de kwaliteit hoog is en deze specifiek gericht is op de achterstand van een leerling. Belangrijk is ook dat de leerkracht of een goed getrainde onderwijsassistent de ondersteuning geeft en dat die aansluit bij de reguliere lessen. Er moet continuïteit in de ondersteuning zitten, die niet ten koste mag gaan van andere vakken of de reguliere lessen. Dit geldt zowel voor de ondersteuning in de onder- als in de bovenbouw.
Het onderwijs wordt inclusiever als leraren op gespecialiseerde en reguliere scholen meer samenwerken, bijvoorbeeld door samen les te geven in de klas en kennis, materialen en ruimtes te delen. Ook samen lessen, handelingsplannen en materialen ontwikkelen draagt bij aan inclusiever onderwijs. Om hun collega’s in het regulier onderwijs goed te kunnen helpen, moeten gespecialiseerde leraren de kans krijgen om zich meer professionaliseren in samenwerking, consultatie en communicatie.
Geactualiseerd: 3 februari 2023
Verschillen in motorische ontwikkeling tussen links- en rechtshandige kinderen nemen in de loop der tijd vanzelf af of verdwijnen. Er zijn dan ook geen interventies nodig om specifiek de motorische ontwikkeling van linkshandige kleuters te bevorderen. Als het duidelijk is dat een kind linkshandig is, is het verstandig om linkshandig voor te doen en om begrip te tonen voor de moeite die het kind moet doen om de handelingen van rechtshandigen na te doen.
Er bestaan verschillende manieren om rekening te houden met verschillen tussen studenten. Het is belangrijk in het onderwijsproces te differentiëren maar ook in de instructie aan studenten. Binnen het mbo is er nauwelijks onderzoek naar effectieve didactieken die rekening houden met cognitieve verschillen en verschillen in kennis binnen een groep. Er is enig bewijs dat een stappenplan of leerplan docenten kan helpen differentiëren. En relatief zwakkere studenten zijn gebaat bij een korte, krachtige instructie.
Een combinatie van ingedikte vaklessen in de ochtend en ’s middags ondersteunings- of verdiepingslessen heeft een positief effect op de leerprestaties van beter presterende leerlingen. Op de minder presterende leerlingen heeft deze aanpassing van het lesaanbod zonder aanvullende maatregelen een negatief effect. Vervolgens heeft dat ook een negatief effect op hun motivatie. Wanneer de vaklessen ’s morgens met directie instructie worden gegeven en de ondersteuningslessen daarop aansluiten als verlengde instructie, kunnen de minder presterende leerlingen voldoende worden gecompenseerd. Ook pre-teaching biedt mogelijkheden voor compensatie. Daarbij worden voor de minder presterende leerlingen in de middag de vaklessen voor de volgende dag voorbereid. Dat vereist wel nauwe afstemming tussen inhoud van vaklessen en ondersteuningslessen.
Geactualiseerd: 29 april 2019
De mbo-populatie is op een groot aantal kenmerken zeer divers. En deze variëteit tekent zich zowel binnen als tussen niveaus af. Het is daarom lastig om specifieke kenmerken toe te schrijven aan mbo-studenten niveau 3 als geheel. Als er verschillen zijn, dan heeft dat te maken met de organisatie van de opleidingen. Wanneer de school de opleidingen op niveau 3 en 4 aanbiedt in homogene groepen, samengesteld op basis van vooropleiding, dan zijn de verschillen vooral cognitief van aard en te herleiden tot de intakeprocedure.