Leraren in Nederland werken meer uren per week dan de vastgestelde norm. Leraren primair onderwijs maken meer overuren dan leraren voortgezet onderwijs. In vergelijking met andere Europese landen maken Nederlandse leraren veel uren. Dit geldt voor primair en voortgezet onderwijs. De verhouding tussen lesgebonden en niet-lesgebonden activiteiten ligt ongeveer op het Europese gemiddelde.
Door internationaliseringsactiviteiten in het onderwijs, zoals een buitenlandse stage of online samenwerken met buitenlandse studenten, kunnen mbo-studenten interculturele vaardigheden en kennis opdoen. De daadwerkelijke impact van deze activiteiten is echter nog niet goed onderzocht. Ervaringen van docenten en studenten laten zien dat deze activiteiten bijdragen aan zowel hun persoonlijke als professionele ontwikkeling. Om de invloed van internationaliseringsactiviteiten te vergroten, is het belangrijk dat onderwijsinstellingen beleid ontwikkelen waar de hele school achter staat. En docenten moeten voldoende worden ondersteund om dit beleid uit te voeren.
Geactualiseerd: oktober 2024
Een soepele overgang van voorschool naar basisschool kan een positief effect hebben op de aanpassing van kinderen aan de nieuwe situatie. Verondersteld wordt dat een goede doorgaande lijn een positieve invloed heeft op de schoolprestaties, maar dit is vooralsnog niet bewezen. Verondersteld wordt dat ouderbetrokkenheid, samenwerking tussen professionals rond de inhoud en de ontwikkeling van kinderen volgen, van belang zijn.
Geactualiseerd: september 2023
Er is geen empirische bewijs bekend dat onwaarheden vertellen effect heeft op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar. Wat de gevolgen zijn van het vertellen van leugentjes om bestwil, of onwaarheden over bijvoorbeeld sinterklaas op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen is niet bekend. Liegen tegen kinderen lijkt ertoe te leiden dat kinderen zelf ook meer liegen. Op latere leeftijd kan dit zorgen voor probleemgedrag. Ontdekken dat fantasiefiguren zoals sinterklaas niet bestaan, blijkt bij kinderen, in tegenstelling tot bij hun ouders, weinig negatieve gevoelens op te roepen.
Er is één studie naar de invloed van lint- en blokstages op het leerrendement in het mbo, maar daarin zijn geen effecten gevonden. Een aantal andere studies laat op basis van ervaringen van betrokkenen wel verschillende andersoortige voor- en nadelen van stagevormen zien. Genoemde voordelen van een lintstage zijn onder andere betere afstemming en afwisseling tussen theorie en praktijk, en meer mogelijkheden voor feedback en reflectie. Bij een blokstage zijn dat bijvoorbeeld lagere werkdruk voor studenten en meer tijd om een beroepshouding te ontwikkelen. Deze voordelen hebben weliswaar een indirecte link met leerrendement, maar die link is niet empirisch onderzocht.
Basisschoolleerkrachten kunnen leerlingen die het Nederlands niet goed beheersen op verschillende manieren bij de reguliere zaakvaklessen betrekken. Bijvoorbeeld door hen voorafgaand aan de les de belangrijkste woorden te leren. Ook kan de leerkracht de uitleg in het Nederlands geven, de lesstof versimpelen en moeilijk lesmateriaal overslaan. Leerlingen kunnen antwoorden in het Engels of in hun moedertaal en dat antwoord naar het Nederlands vertalen.
Escalerend leerlinggedrag kan worden voorkomen of verminderd door gerichte interventies van de leraar. Bijvoorbeeld door een time-out, het tijdelijk de klas uitsturen van een leerling. De leraar moet in dat geval kunnen vertrouwen op een deskundige collega, een achterwacht, die de leerling opvangt en tot rust brengt. Deze ondersteuning vereist verbale en non-verbale vaardigheden, alsmede zelfbeheersing, empathie en inzet van lichaamstaal. Over het effect van de achterwacht op scholen is weinig bekend.
Er is geen duidelijk verband gevonden tussen kwaliteitszorg, de sturing binnen scholen, de bestuursvorm en de kwaliteit van het onderwijs. De meeste literatuur is beschrijvend of voorschrijvend van aard, met hooguit veronderstellingen over samenhang tussen kwaliteitszorg en onderwijskwaliteit. Evenmin is bekend welk besturingsprincipe het effectiefst is. In de praktijk is het mogelijk een hoge onderwijskwaliteit te handhaven zonder een landelijke overheidsinspectie. Hierbij kunnen ook andere factoren een rol spelen, zoals het academische niveau van het onderwijspersoneel.
Het programma Filosoferen met Kinderen (P4C) heeft een bescheiden effect op de cognitieve vaardigheden buiten de context van het filosoferen. Er zijn meer effecten op lezen, rekenen en meer basale vormen van redeneren dan op hogere denkvaardigheden, al is daar ook enig bewijs voor. Negatieve cognitieve effecten worden nooit gevonden. Hoewel P4C is bedoeld voor basisschoolleerlingen en filosoferen iets anders is dan het vak filosofie volgen in het voortgezet onderwijs, zijn deze resultaten toch relevant.
Onderwijstijdverlenging via verlengde schooldagen heeft een neutraal tot zwak positief effect op de leerprestaties (taal en rekenen) van basisschoolleerlingen. Vooral leerlingen op achterstandsscholen lijken te profiteren van deelname. Wat het optimaal aantal uren is voor de verlenging, is niet bekend. Meer uren leiden tot betere prestaties, maar waar het omslagpunt ligt, is onduidelijk. Programma’s gericht op niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen dragen positief bij aan het zelfbeeld van leerlingen en zorgen voor minder probleemgedrag. Daarnaast hebben leerlingen een betere band met school, minder drugsgebruik en positievere interacties met anderen.