Er zijn aanwijzingen dat jonge kinderen grammaticale regels kunnen leren uit expliciete, geïsoleerde grammatica-instructie. Bijvoorbeeld als ze een nieuwe taal leren. In hoeverre dit effectiever is voor de tweedetaalontwikkeling dan (alleen) impliciet leren is niet duidelijk. Of jonge tweedetaalleerders op de lange termijn profijt hebben van expliciete grammaticalessen, is ook niet met zekerheid te zeggen.
Fouten maken hoort bij het leren van een tweede taal. Maar sommige fouten duiden op een onderliggende leerstoornis, zoals dyslexie. Bij volwassen NT2-leerders zijn problemen met het fonologisch bewustzijn een mogelijke indicatie van dyslexie. Ook andere factoren kunnen meespelen bij lees-en spelfouten, zoals laaggeletterdheid in de eerste taal, een beperkte Nederlandse woordenschat en klankverschillen tussen de eerste en tweede taal.
Deze vraag is alleen indirect te beantwoorden, want bij ISK-leerlingen is niet onderzocht of ze de Nederlandse taal beter leren door de combinatie van thuistaal en doeltaal. Bij volwassen nieuwkomers en meertalige vo-leerlingen is wel bekend wat helpt om Nederlands te leren. Namelijk door hun taalbewustzijn te verhogen en door in het onderwijs ruimte te maken voor meer talen. Maar ook door de thuis- en de doeltaal te gebruiken om deelvaardigheden zoals woordenschat, schrijven of lezen aan te leren. Of hun vakinhoudelijke kennis hierdoor ook toeneemt, is weer niet onderzocht.
Sommige leerlingen die Nederlands als tweede taal leren (NT2-leerlingen) spreken niet veel in het Nederlands, en oefenen daardoor weinig. Dat kan bijvoorbeeld komen door angst om in een andere taal te spreken of door cultuurverschillen. Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar de spreekvaardigheid van stillere NT2-leerlingen. Algemenere aanbevelingen om spreekvaardigheid te bevorderen gelden mogelijk ook voor deze groep. Zo dienen leraren een veilig spreekklimaat in de klas te creëren. Daarnaast kunnen leraren zorgen dat alle leerlingen veel mogelijkheden krijgen om te spreken en hun veel feedback geven.
Vakinhoudelijke en vakdidactische expertise van docenten hebben een positief effect op de voortgang van het leerproces van studenten. Of er verschillen zijn in taalvaardigheid van studenten die les krijgen van docenten met NT1-expertise of van docenten met NT2-expertise is niet bekend. Daar is geen onderzoek naar gedaan. Het verschil in focus tussen wat er nodig is in een NT1- en NT2-klas maakt het echter aannemelijk dat specifieke expertise over lagere orde-vaardigheden en het taalverwervingsproces bevorderlijk is voor de taalverwerving van NT2-studenten.
Basisscholen hebben behoefte aan adequate toetsen voor NT2-leerlingen. In hoeverre leerkrachten accuraat en objectief de Nederlandse taalvaardigheid van NT2-leerlingen kunnen meten met gestandaardiseerde toetsen, is onzeker. Daar is nauwelijks onderzoek naar gedaan. Bij authentieke taaltoetsen verschillen de beoordelingen van leerkrachten over taalvaardigheden, net als de criteria die zij belangrijk achten voor hun beoordeling. Het is dus onduidelijk met welke toetsvormen leerkrachten de taalvaardigheid van NT2-leerlingen accuraat en objectief kunnen meten.
De directe invloed van NT2-docenten om de kans op werk van vluchtelingen te vergroten, is beperkt. Hun belangrijkste bijdrage zit in het versterken van de taalvaardigheid van de inburgeraars en ze mogelijkheden aanreiken om het geleerde toe te passen in de werkpraktijk. Verder kunnen de docenten iets doen aan de gezondheid van inburgeraars, door gezondheidsproblemen bij hen te signaleren en door in de lessen aandacht te besteden aan gezondheidsvaardigheden.
NT2-leerlingen hebben op school vaak meer moeite met tekstbegrip dan leerlingen met Nederlands als moedertaal. Lezen van teksten combineren met over de teksten schrijven, blijkt effectief. In hoeverre narratieve teksten schrijven bijdraagt aan tekstbegrip van informatieve teksten is niet bekend; daar is geen onderzoek naar gedaan. Een effectieve werking is echter wel aannemelijk, omdat lezen en schrijven vergelijkbare cognitieve processen omvatten én er een samenhang lijkt te zijn tussen deze vaardigheden.
Voor effectieve ontwikkeling, deling en benutting van kennis is een hecht professioneel netwerk in de school belangrijk. In zo’n netwerk werken docentonderzoekers gedurende de onderzoekcyclus samen met collega’s aan vraagstukken uit en oplossingen voor de onderwijspraktijk. Deze werkwijze vergroot het draagvlak. Naast de interactieve benadering is het belangrijk dat docentonderzoekers gestructureerd en planmatig samenwerken in een stabiele en goed gecoördineerde en begeleide groep. Leidinggevenden hebben in dit alles een ondersteunende rol.
Nieuwkomers in groep 3 hebben meer tijd nodig om mondeling en schriftelijk vaardig te worden in het Nederlands. Bepaalde vormen van vertraging en verbreding van het aanvankelijk leesproces kunnen daarvoor effectief zijn. Vertragen kan door deze leerlingen aanvullende lessen te geven, expliciete uitleg te geven en lesstof te herhalen. Verbreden kan vermoedelijk door taalonderwijs in andere delen van het curriculum te integreren, en door tweetalig leesonderwijs of onderwijs in de moedertaal van nieuwkomers te geven.