In het kort
Voor goed tekstbegrip is een goede technische leesvaardigheid belangrijk. Leerlingen moeten woorden in de tekst vloeiend en correct kunnen lezen, om vervolgens een koppeling te maken met morfologie, grammatica en woordkennis.
Beperkt taalbegrip bemoeilijkt tekstbegrip bij NT2-leerlingen
Leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands (NT2-leerlingen) hebben meestal meer moeite met tekstbegrip dan leerlingen die het Nederlands als moedertaal hebben. De technische leesvaardigheid van beide groepen leerlingen zijn echter vergelijkbaar. De problemen die NT2-leerlingen ervaren met begrip van Nederlandse teksten lijken vooral voort te komen uit een beperkt taalbegrip. Daaronder vallen woordenschat, luistervaardigheid en morfologisch en/of syntactisch bewustzijn.
Lezen en schrijven versterken elkaar
Onderzoek naar de relatie tussen lees- en schrijfvaardigheid toont aan dat lezen en schrijven elkaar kunnen versterken. De leesvaardigheid van leerlingen is van invloed op de kwaliteit van de teksten die ze schrijven. Dit geldt ook andersom: de schrijfvaardigheid kan van invloed zijn op het tekstbegrip. Het is dan ook effectief om onderwijs in lees- en schrijfvaardigheid te integreren. Het gaat dan vooral om lees- en schrijfactiviteiten waarbij dezelfde tekst centraal staat, zoals een samenvatting van een tekst schrijven of een recensie over een boek.
Of er ook een versterkend effect is wanneer de schrijf- en leesactiviteit onafhankelijk van elkaar worden aangeboden en het gaat om andere tekstsoorten – zoals narratieve teksten schrijven en informatieve teksten lezen – is niet bekend. Er is geen onderzoek gevonden waaruit blijkt dat het schrijven van een narratieve tekst bijdraagt aan het lezen van informatieve teksten.
De rol van het situatiemodel bij lezen en schrijven
Om twee redenen is het aannemelijk dat narratieve teksten schrijven een positieve invloed kan hebben op tekstbegrip van informatieve teksten. Bij goed tekstbegrip spelen naast technisch leesvaardigheid en taalbegrip verschillende cognitieve processen een rol. Om tot dieper begrip van de hele tekst te komen, moeten lezers woorden herkennen, zinnen begrijpen en samenhang aanbrengen in de tekst. Dit laatste doen ze door telkens betekenisvolle verbanden te leggen tussen verschillende zinnen en tekstdelen, en tussen informatie uit de tekst en eigen achtergrondkennis. Hierdoor ontstaat een mentale representatie van de tekst: het situatiemodel.
Het omgekeerde gebeurt bij schrijven van narratieve teksten. Vanuit een situatiemodel construeert de schrijver een tekst. Deze redenering sluit aan bij de cognitieve processen bij schrijven. De schrijver creëert een mentale representatie (het situatiemodel), zet deze ideeën om naar tekst, evalueert de tekst en herziet de tekst eventueel.
Daarnaast blijkt er een samenhang te zijn tussen het creëren van een situatiemodel bij lezen en het schrijven van een tekst. Hoe ‘rijker’ het situatiemodel dat een leerling creëert bij het lezen van een tekst, hoe levendiger en origineler de leerling een willekeurig verhaal kan schrijven.
Meer weten?
Van der Leij, A., & Vernooy, K. (2023, 15 juni). Technisch lezen in het primair onderwijs. Onderwijskennis.
Van der Lee, A., & Stoep, J. (2022, 29 maart). Wie schrijft, die blijft. Onderwijskennis.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Emmi Stuij (antwoordspecialist) en Martine Gijsel (kennismakelaar Kennisrotonde).