Het realiseren van verbeteringen of veranderingen in schoolorganisaties is complex en vraagt veel van leidinggevenden en onderwijsprofessionals. Welk handelen van schoolleiders precies bijdraagt aan de veranderbereidheid van leraren is niet bekend. Wel is het noodzakelijk om leraren bij verandering en innovatie te betrekken, bij voorkeur onder leiding van een schoolleider die een professionele cultuur stimuleert.
Het faciliteren van zelfsturing door leraren in de ontwikkeling van een beroepsorganisatie lijkt het veelbelovendst. Dit geldt vooral als die beroepsorganisatie een professionele oriëntatie centraal stelt, zoals bij de ontwikkeling van een professionele standaard. Belangrijk is draagvlak onder de leden te creëren en de tijd te nemen voor een brede bespreking van voorstellen.
In kenniswerkplaatsen die effectief bijdragen aan de onderwijspraktijk hebben deelnemers een gemeenschappelijk belang en een eigen instellingsbelang. Ze zijn actief in hun community door onder meer regelmatig bij elkaar te komen, onderling vertrouwen op te bouwen en een gezamenlijke taal te ontwikkelen. Draagvlak en een lerende cultuur binnen de scholen dragen eveneens bij aan professionalisering en schoolontwikkeling. Succesvolle samenwerking vergt een lange adem.
De inzet van onderwijsassistenten heeft een positief effect op het werkplezier, het stressniveau en de werkdruk van leraren. Echter, hoe meer onderwijsassistenten doen, hoe minder leerlingen vooruitgaan in leerprestaties. Dit komt door de mindere kwaliteit van de instructie die onderwijsassistenten geven en door de onduidelijkheid over hun rol. Schoolleiders en leraren dienen helder te maken welke rol onderwijsassistenten hebben en de werkwijze systematisch te evalueren. Het is belangrijk leraren te scholen in hoe onderwijsassistenten hen kunnen ondersteunen, en onderwijsassistenten te trainen in het uitvoeren van interventies.
Over de effectiviteit van verschillende typen co-teaching op de leerresultaten, betrokkenheid en sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen is wel een en ander bekend. Maar juist over effecten van de variant duobaan ontbreken onderzoeksgegevens. De andere vormen van co-teaching verschillen wezenlijk op het punt van de verhouding tussen aantallen leraren en leerlingen. Daarom vallen de onderzoeksuitkomsten van die vormen niet te vertalen naar de variant duobaan.
Een lotingssysteem bij overaanmelding voor middelbare scholen zal voor een beperkt deel van de ouders (waarschijnlijk rond de tien procent) reden zijn een andere school te kiezen. Een school waar zekerheid is over plaatsing. Ongeveer driekwart van de ouders zou ondanks de loting de kinderen toch aanmelden. Verschillen hierin tussen scholengemeenschappen en categorale scholen zijn niet gevonden. Het vergroten van brugklassen als alternatief voor loting zal zonder aanvullende maatregelen vermoedelijk leiden tot lagere leerprestaties.
Opleiding en professionalisering van schoolleiders draagt op verschillende manieren bij aan hun functioneren en de schoolorganisatie. Zo leidt scholing van schoolleiders tot meer kennis en vaardigheden op het gebied van onderwijskundig leiderschap en schoolverbetering. Tevens vergroot scholing de self-efficacy van schoolleiders, de eigen overtuiging dat zij onderwijsverbeteringen kunnen realiseren. Daarnaast besteden schoolleiders door professionalisering meer tijd aan onderwijskundige taken en het bevorderen van een professionele leeromgeving voor het personeel. Professionalisering van schoolleiders doet er dus toe, voor de organisatie en de medewerkers, maar er is geen bewijs dat dit doorwerkt op de onderwijskwaliteit.
Er is geen duidelijk verband gevonden tussen kwaliteitszorg, de sturing binnen scholen, de bestuursvorm en de kwaliteit van het onderwijs. De meeste literatuur is beschrijvend of voorschrijvend van aard, met hooguit veronderstellingen over samenhang tussen kwaliteitszorg en onderwijskwaliteit. Evenmin is bekend welk besturingsprincipe het effectiefst is. In de praktijk is het mogelijk een hoge onderwijskwaliteit te handhaven zonder een landelijke overheidsinspectie. Hierbij kunnen ook andere factoren een rol spelen, zoals het academische niveau van het onderwijspersoneel.
Leraren in Nederland werken meer uren per week dan de vastgestelde norm. Leraren primair onderwijs maken meer overuren dan leraren voortgezet onderwijs. In vergelijking met andere Europese landen maken Nederlandse leraren veel uren. Dit geldt voor primair en voortgezet onderwijs. De verhouding tussen lesgebonden en niet-lesgebonden activiteiten ligt ongeveer op het Europese gemiddelde.
Zo’n driekwart van de docenten in het middelbaar beroepsonderwijs ervaart een hoge werkdruk. In hoeverre dit het geven van goed onderwijs en de leerprestaties van studenten hindert, is in het mbo niet onderzocht. Uit andere onderwijssectoren zijn er wel aanwijzingen dat er een indirecte relatie is tussen de door docenten ervaren werkdruk en leerlingprestaties. Een ervaren hoge werkdruk leidt tot stressverschijnselen of burn-out, die op hun beurt de motivatie van de docent en de ervaren competenties negatief kunnen beïnvloeden. Dit kan vervolgens negatief uitwerken op de motivatie van leerlingen en hun leerprestaties.