Er is nog geen wetenschappelijk bewijs dat cultureel responsief lesgeven het welbevinden van nieuwkomersleerlingen verbetert. Wel laten studies zien dat een inclusieve en cultureel diverse klasomgeving een positieve bijdrage kan leveren aan de sociale verbondenheid en tevredenheid van leerlingen. Cultureel responsief lesgeven draagt bij aan een veilige en respectvolle leeromgeving, waarin álle leerlingen zich gezien voelen.
Studenten lijken hogere cijfers te halen op een kennistoets als docenten chatbots didactisch goed inzetten, zoals studenten vooraf vakinhoudelijke vragen laten stellen aan een chatbot. De chatbot kan fungeren als een studie-buddy die uitleg geeft, wedervragen stelt en studenten aanmoedigt. De chatbot werkt ook goed als digitale tutor die direct feedback geeft.
Het effect van School Wide Positive Behavior Support op hoogbegaafde leerlingen met een lage sociaal-economische status is niet specifiek onderzocht. Er zijn aanwijzingen dat hoogbegaafde leerlingen vooral graag worden betrokken bij het opstellen van regels en gedragsverwachtingen. School Wide Positive Behavior Support kan hierin voorzien, maar of dit direct leidt tot een positief leerklimaat is niet bekend.
Er is nog geen sterk bewijs dat gebruik van generatieve artificiële intelligentie leidt tot betere of slechtere informatievaardigheden. Het kan voor studenten een hulpmiddel zijn bij lessen in informatievaardigheden, bijvoorbeeld om gestructureerde zoekopdrachten of onderzoeksvragen te formuleren. Dan is het wel nodig dat studenten kennis hebben over AI en haar beperkingen. Docenten kunnen studenten ‘AI-geletterder’ maken door ze te leren output kritisch te beoordelen en effectieve prompts te formuleren.
Er zijn aanwijzingen dat vmbo-scholen hun burgerschapsonderwijs anders invullen dan havo/vwo-scholen. In havo/vwo lijken docenten iets meer prioriteit te geven aan kritisch denken en bijdragen aan maatschappelijke veranderingen. In het vmbo vinden docenten vaker (ook) aanpassing, discipline en sociale competenties belangrijk. Havo/vwo-leerlingen ervaren in de klas meer ruimte voor discussie dan vmbo’ers. En ze geven vaker aan dat ze meedoen met besluitvormingsprocessen op school.
Leerlingen die elkaar helpen als ‘maatje’ halen betere resultaten bij vakken als taal en rekenen. Dat geldt zowel voor de helper als voor de leerling die wordt geholpen. Voorwaarde is wel dat zo’n ‘maatjesproject’ past bij het leerdoel en de leeromgeving. En dat het zorgvuldig wordt uitgevoerd en begeleid.
Het kan lastig zijn om autismespectrumstoornissen (ASS) bij meisjes te herkennen, omdat ASS zich bij hen anders uit dan bij jongens. En omdat ze problemen die ze ervaren beter verhullen. Bovendien zijn (laagdrempelige) signaleringsinstrumenten nog in ontwikkeling. Er zijn aanwijzingen dat meer kennis over ASS bij meisjes leerkrachten kan helpen bij vroegtijdige signalering en hen passende ondersteuning bij het leren aanbieden of doorverwijzen.
Het is niet bekend of thuistalen inzetten in de klas effect heeft op de taalontwikkeling en cognitieve ontwikkeling van meertalige leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Onderzoeksresultaten van meertalige leerlingen zónder TOS geven in combinatie met de beschikbare kennis over TOS wel aanwijzingen voor mogelijk positieve effecten.
Hoe docenten en studenten tijdens de les interacteren lijkt vooral afhankelijk te zijn van hoe digitaal werken is ingericht. Afwisseling in werkvormen zorgt voor diverse interactiemogelijkheden. Wanneer studenten zelfstandig werken, kan de docent de interactie bevorderen door rond te lopen en contact te maken. Gebruik van digitale communicatie tijdens de les, zoals chatten, kan nuttig zijn mits het niet afleidt van de lesinhoud. Daarnaast is het van belang dat docenten de technologie voldoende beheersen, zodat dit de interactie niet in de weg staat.
Expliciete woordenschatinstructie, visuele ondersteuning en herhaalde blootstelling en oefening zijn effectief om de ontwikkeling van diepe woordkennis van leerlingen met taalproblemen te bevorderen. Voor deze doeleinden kan een woordmuur helpend zijn. Daarbij zijn een actieve inbreng van leerlingen en betekenisrelaties tussen woorden verbeelden van belang. Hoewel een woordmuur een populair hulpmiddel is om woordenschat te onderwijzen, is het wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit ervan beperkt.