Ja, digitale leeromgevingen kunnen bepaalde aspecten van het geven van feedback van de leerkracht overnemen. Het gaat dan om of een opdracht goed of fout uitgevoerd is, met bijbehorende extra uitleg. Maar met uitsluitend feedback in een digitale leeromgeving wordt een leerling te kort gedaan. Voor een goede feedback blijft de instructie van de leerkracht cruciaal. Hij geeft de leerling antwoord op de vragen ‘waar ga ik naartoe?’, ‘wat heb ik gedaan?’ en ‘wat is de volgende stap?’
De toetspakketten LOVS Woordenschat van Cito zijn een hulpmiddel om op lange termijn het globale woordenschatniveau (brede woordenschat en diepe woordenschat) en de woordenschatontwikkeling van leerlingen in kaart te brengen. De resultaten van de toets geven informatie over die ontwikkeling en kunnen helpen om beslissingen te nemen over de schoolloopbaan van leerlingen. Om positieve effecten te sorteren op de woordenschatontwikkeling zouden scholen de toets ook formatief kunnen gebruiken. Dan zetten ze de toetsresultaten in om het woordenschatonderwijs aan te passen. Dit vereist een aantal randvoorwaarden: eigenschappen van de toets zelf, de frequentie van afname, de leerling, de schoolcultuur, de inrichting van het (digitale) LOVS en de expertise van schoolteams.
Schoolcijfers evalueren of leerlingen aan bepaalde standaarden hebben voldaan. Rapportvormen als rubrieken en portfolio’s zijn meer gericht op het bevorderen van het leren. Zij geven inzicht in wat goed en wat minder goed gaat. De keuze voor een rapportvorm hangt voor een groot deel af van de wijze waarop de school zich wil profileren. In opkomst zijn rapportages over (ook) affectieve kenmerken, houding en interactie. Centraal daarin staan interactie met medeleerlingen en docenten, zelfstandigheid, leren leren en samenwerken.
Geactualiseerd: september 2020
Groeperen op leerprestaties heeft positieve effecten, vergeleken met instructie geven aan de hele klas. Homogeen groeperen heeft gemiddeld positievere effecten dan heterogeen groeperen. De effecten van homogeen groeperen zijn daarbij sterker voor taal dan van voor rekenen. Vooral gemiddelde en beter presterende leerlingen hebben baat bij homogeen groeperen. Voor zwakker presterende leerlingen lijkt heterogeen groeperen effectiever.
Leerlingen die zwak presteren op bepaalde taken, laten vaak ook slechte metacognitieve vaardigheden zien. Ze hebben bijvoorbeeld moeite om op hun presteren te reflecteren of het nut van reflectie in te zien. Opdrachten waarbij de verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces geleidelijk wordt overgeheveld van leraar naar leerling kunnen helpen om leerlingen te leren reflecteren.
Hoewel het leerstofjaarklassensysteem dominant is in het Nederlandse onderwijs, zijn er al sinds lange tijd alternatieven. Bekende voorbeelden zijn montessori- en jenaplanscholen, waar kinderen van verschillende leeftijden in één klas zetten. Er is echter geen overtuigend verschil tussen deze typen scholen en scholen met leerstofjaarklassen. Om leerlingen onderwijs op maat te bieden, kan ook binnen de leerstofjaarklas worden gedifferentieerd. Daarbij is het werken met permanente homogene groepen niet effectief. Integendeel: vaste, homogene niveaugroepen leiden zelfs tot grotere niveauverschillen. Met name de zwakkere leerlingen ondervinden nadeel van homogeen groeperen. Andere vormen van differentiatie, met name convergente differentiatie, binnen heterogene groepen kunnen wel tot positieve resultaten leiden.
Geactualiseerd: 28 juni 2024
Aparte activiteiten voor hoogbegaafde leerlingen hebben meestal een positief effect op hun prestaties. Niet voor alle domeinen en vakken leiden aanpassingen echter tot een verbetering. Goed onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen, en eigenlijk voor alle leerlingen, vraagt naast een focus op cognitieve prestaties ook om de juiste begeleiding en leraren met expertise op dit terrein. De benodigde begeleiding hangt af van de beginsituatie van de leerling. Onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen begint idealiter met het in kaart brengen van de cognitieve, sociaal-emotionele, en ontwikkel- en leervaardigheden. Als het onderwijs qua inhoud, organisatie en pedagogisch-didactische begeleiding hierbij aansluit, zijn (hoogbegaafde) leerlingen het best geholpen.
Vmbo-leerlingen met hoge eindexamencijfers die doorstromen naar havo-4 hebben een grotere kans op het behalen van een havo-diploma dan degenen met lagere cijfers. Veel scholen hanteren een ondergrens van gemiddeld een 6,8 op het vmbo-examen om te mogen instromen in havo4. Het gemiddeld eindexamencijfer is echter geen perfecte voorspeller. Zelfs bij het hanteren van een relatief lage grens van gemiddeld een 6, valt nog altijd meer dan een derde onterecht buiten de boot; die leerlingen zouden dus wel het havo-diploma behalen. Op basis van onderzoek is er geen geschikte ondergrens te bepalen om vmbo-leerlingen al of niet toe te laten tot havo-4.
Een goede examentraining sluit aan op de lesstof en is afgestemd op de vorderingen van de leerlingen. Leraren moeten hiervoor de inhoudelijke structuur van testen en examens (her-) kennen en de vereiste prestatieniveaus moeten helder zijn. Op basis van prestaties van leerlingen op eerdere (formatieve) toetsen, kan de leraar verbanden leggen met de beschikbare leerstof en aangepaste instructies en oefeningen geven. Hierdoor ontstaat een positieve 'teaching-to-the-test'.
Het is nog te vroeg om harde conclusies te trekken over de effectiviteit van VR of AR in het onderwijs. Veel van de onderzoekers zijn echter positief en zien veel mogelijkheden voor deze nieuwe leermiddelen. De grootste uitdaging ligt in de ontwikkeling van goede educatieve inhoud en inbedding in lesprogramma’s.