Geactualiseerd: 10 januari 2024
Werkgevers en opleiders kunnen zelfregie van mbo-studenten tijdens stages stimuleren. De werkgever moet de inbreng van de student serieus nemen en hem of haar gestructureerd laten werken. De opleider geeft aandacht aan het vermogen en de bereidheid tot leren, naast het aanleren van emotionele volwassenheid. Verder legt de opleider nadruk op vaardigheden als het geleerde in de praktijk toepassen, creativiteit en kritisch denken. De student maakt zich zelfsturend leren eigen door te leren om minder hulp te vragen, taakstrategieën zelfstandiger en beter uit te voeren. Maar ook door tijd efficiënter te beheren en meer waarde te hechten aan het leren zelf.
Verschillende arbeidsmarktsectoren hechten steeds meer belang aan interdisciplinair samenwerken. Opleidingen in het beroepsonderwijs lijken daar gericht aan te kunnen bijdragen, maar bewijzen voor positieve effecten ontbreken. Interdisciplinair opleiden vraagt een specifieke en weloverwogen inrichting van het onderwijs, wat weer de nodige eisen stelt aan docenten en management.
Ervaring in een praktijksituatie op school kan bbl-studenten helpen bij het leren van nieuwe theorie, maar is niet noodzakelijk. Om tot kennisverwerving te komen, is het belangrijk dat studenten de nieuwe theorie in verband brengen met ervaringen in de praktijk. Indien studenten op school ervaringen in een praktijksituatie opdoen, is het van belang dat ze die ervaringen verbinden met de nieuwe theorie, en met de ervaringen in het leerbedrijf. Reflecteren bevordert het koppelen van theorie en praktijk, evenals discussies met de docent of met medestudenten.
De stage en de overgang naar werk zijn voor veel mbo-studenten met een ondersteuningsbehoefte een struikelblok in de opleiding. Echter, passend onderwijs kan ook in de beroepspraktijkvorming bijdragen aan de succesvolle begeleiding van die studenten. Een in de praktijk ontwikkelde en beproefde methode hiervoor is de Transitieroute. Het is een individueel maatwerktraject dat een jaar voor afstuderen begint en een jaar na afstuderen eindigt. Een gezamenlijke aanpak van betrokkenen kan leiden tot een succesvolle transitie.
Er is één studie naar de invloed van lint- en blokstages op het leerrendement in het mbo, maar daarin zijn geen effecten gevonden. Een aantal andere studies laat op basis van ervaringen van betrokkenen wel verschillende andersoortige voor- en nadelen van stagevormen zien. Genoemde voordelen van een lintstage zijn onder andere betere afstemming en afwisseling tussen theorie en praktijk, en meer mogelijkheden voor feedback en reflectie. Bij een blokstage zijn dat bijvoorbeeld lagere werkdruk voor studenten en meer tijd om een beroepshouding te ontwikkelen. Deze voordelen hebben weliswaar een indirecte link met leerrendement, maar die link is niet empirisch onderzocht.
Door internationaliseringsactiviteiten in het onderwijs, zoals een buitenlandse stage of online samenwerken met buitenlandse studenten, kunnen mbo-studenten interculturele vaardigheden en kennis opdoen. De daadwerkelijke impact van deze activiteiten is echter nog niet goed onderzocht. Ervaringen van docenten en studenten laten zien dat deze activiteiten bijdragen aan zowel hun persoonlijke als professionele ontwikkeling. Om de invloed van internationaliseringsactiviteiten te vergroten, is het belangrijk dat onderwijsinstellingen beleid ontwikkelen waar de hele school achter staat. En docenten moeten voldoende worden ondersteund om dit beleid uit te voeren.
Het arbeidsmarktperspectief voor studenten in het mbo op niveau 2 is niet altijd positief. Mbo-instellingen willen dit oplossen door brede niveau 2 opleidingen aan te bieden. Er is nog geen onderzoek beschikbaar naar (lange termijn) arbeidsmarktperspectieven van deze brede kwalificaties. Wel kunnen we op basis van verwant onderzoek veronderstellen dat brede mbo 2 opleidingen op de korte termijn (aan het begin van de beroepsloopbaan) een kleinere kans op werk bieden dan smalle opleidingen. Maar op de lange duur (verderop in de beroepsloopbaan) hebben breed opgeleiden een even grote kans op werk. En ze werken in beroepen met een hoger maatschappelijk aanzien (en salaris) dan smaller opgeleiden op mbo niveau 2.
Effectieve samenwerking tussen scholen en verschillende educatieve partners kent de volgende gemeenschappelijke succesfactoren: visie, leiderschap en coördinatie, structurele communicatie, draagvlak, aandacht voor (financiële) randvoorwaarden, gezamenlijke ontwikkeling van activiteiten en producten. Een causale relatie tussen een goede samenwerking en het behalen van doelen van de samenwerking is nog niet overtuigend aangetoond.
Ondernemerschapsonderwijs draagt bij aan het zelfvertrouwen van studenten, het benutten van kansen, oplossingsgerichtheid en doorzettingsvermogen. Ook geeft het studenten meer mogelijkheden op de arbeidsmarkt. De belangrijkste competenties in het onderwijs voor ondernemerschap zijn specifieke sleutelvaardigheden voor een ondernemer (zoals creativiteit, bereidheid risico te nemen, zelfvertrouwen), de ondernemer als manager en de ondernemer als ondernemer.